InterviewTon Eggenhuizen

Ecoloog Ton Eggenhuizen: ‘Ik heb mijn twijfels bij het afschot van zwanen om landbouwschade’

Knobbelzwaanonderzoeker Ton Eggenhuizen Beeld Ton Eggenhuizen
Knobbelzwaanonderzoeker Ton EggenhuizenBeeld Ton Eggenhuizen

Zeg nooit dat de ene zwaan net is als de andere. Knobbelzwaanonderzoeker Ton Eggenhuizen kan je haarfijn de verschillen uitleggen tussen deze majestueuze watervogels - bijvoorbeeld in de stad en op het platteland.

Er is maar één sloot met één zwaan voor nodig om knobbelzwaankenner Ton Eggenhuizen tot een – vooralsnog wat cryptische - spraakwaterval te bewegen. Razendsnel volgen feiten en rarigheden elkaar op; resultaat van tientallen jaren van studie en ringen, van nooit een sloot met zwaan kunnen passeren zonder van de fiets te springen.

Directe aanleiding voor het onderzoek was de bewering dat de zwanen op het platteland anders zouden zijn dan die in de stad – de een wild, de ander tam - en dat er geen uitwisseling zou zijn. Voor de jagers een handige vooronderstelling. Jagen in de landbouwgebieden zou dan immers echt effectief kunnen zijn om de vermeende landbouwschade te verkleinen.

Dat leek de knobbelzwaankenner onzin, dus begon hij, om zijn idee te onderzoeken, met zwanen ringen en volgen. “Al heel snel bleek er veel uitwisseling. Stadsvogels die naar het boerenland verhuizen en omgekeerd. Stadszwanen zijn tammer, maar verwilderen op het platteland snel, buitendieren eten in de stad al heel snel uit je hand.”

Territoriumdrift

Het eerste onderzoek smaakte naar meer en al rap was Eggenhuizen verslingerd. Zo is er het verschil in ‘opstandjes’. Stadszwanen hebben meer conflicten met buurparen dan soortgenoten op het boerenland. In de stad zijn de sloten en kanalen vrijwel altijd recht en komt een zwaan altijd wel een ander tegen. En er zijn weinig zij-slootjes waar je als conflictmijdende zwaan in kan wegglippen. “Tja, en dat leidt natuurlijk tot territoriumgevechten.”

Ook in het broedsucces zag Eggenhuizen verschillen. Minder op elkaars lip zitten, betekent dat er minder tijd hoeft te worden besteed aan het verdedigen van het territorium en dat er dus meer tijd overblijft voor de verzorging en bescherming van de eieren en de jongen, legt de stadsecoloog van Almere uit terwijl we vlakbij zijn huis een waggelende zwaan tegenkomen.

In sterk groeiende steden zoals bijvoorbeeld Zoetermeer en Amersfoort, komt er broedgebied bij en zijn de sloten minder recht. De kans op conflicten is daar dus kleiner. En steeds meer zwanen ontdekken dat grind- en zandgaten ook prima zijn en ook hier is de kans dat ze elkaar in de weg zitten kleiner dan in bestaande steden. “Witte zwanenjongen worden ook eerder het nest uitgezet dan bruine. Daarom zie je in uitdijende steden zoals Almere, Dronten, Lelystad en Houten meer knobbelzwanen met witte jongen. Die kunnen immers als eerste nieuwe broedplekken inpikken.”

Het betere broedsucces resulteert aanvankelijk in een toename van het aantal zwanen in voorheen onbezette gebieden (nieuwbouwwijken en grind- en zandgaten). Daar waar in al eerder bezette gebieden en de nieuwe de zwanenpopulatie nu zijn maximum bereikt, nemen de conflicten toe en dat leidt weer tot een afname van het broedsucces. Onderaan de streep is een lichte afname te zien.

“Maar dat weerhoudt provincies niet afschot toe te staan omdat er sprake zou zijn van aanzienlijke landbouwschade. Daar heb ik zo mijn twijfels bij. Er wordt eenzijdig naar jonge zwanen gekeken die gras bij de boer eten. Afschot verjaagt de vogels maar tijdelijk, terwijl het ongemoeid laten van territoriale broedparen veel effectiever is in het wegjagen van pubergroepen.”

Grote grazers van de recreatieplassen

Het geschiet - jaarlijks gaan 4000 knobbelzwanen zo kassiewijle - is dom, voert Eggenhuizen aan. “De recreatievaart klaagt steen en been over de overmaat aan waterplanten. Een volwassen knobbelzwaan kan 4 kilo waterplanten per dag verstouwen. Me dunkt. Het zijn onze grote grazers van de recreatieplassen.”

Niet alleen in het broedsucces tussen bestaande en nieuwe broedgebieden zag Eggenhuizen een opvallend verschil: nieuwe worden vooral bezet door zogeheten Poolse knobbelzwanen. Knobbelzwanen zijn er in twee varianten. De meest voorkomende vorm heeft grijsbruine jongen die pas na een jaar wit worden. Maar er zijn ook zwanen, de ‘Poolse’, die al direct met wit dons op de wereld komen.

Hij legt het verschil in vestiging uit. “Zwanenouders – ook de ‘Hollandse’ zwanen hebben soms witte jongen - zetten die Poolse jongen eerder uit het nest dan hun bruine jongen. Ze moeten eerder op eigen benen staan, zijn eerder volwassen en gaan daardoor een vol jaar eerder op zoek naar een eigen territorium. En dat territorium vinden deze toch minder ervaren vogels makkelijker in gebieden waar nog niet veel andere zwanen broeden. Het voordeel voor de zwanenpopulatie is dat de uitbreiding van het areaal dan door die Poolse vogels sneller verloopt. Is de dichtheid inmiddels op zijn maximum, dan hebben die Poolse zwanen minder voordeel. Ze krijgen immers minder ouderlijke zorg dan hun grijze soortgenoten.”

Eenmaal gesetteld zit de knobbelzwaan gebeiteld. De broedplek, in elk geval het territorium, wordt jaar op jaar geclaimd. Door man en vrouw. “De vermeende eeuwige trouw tussen zwanen is dus vooral trouw aan de plek.”

En dat brengt hem op de zwanendrift, het recht dat edelen en puissant rijken in vroeger tijden hadden om alle knobbelzwanen in een bepaald gebied als eigendom te beschouwen en ze te leewieken, een ingreep waarbij een vleugelbeentje wordt weggenomen waardoor ze niet meer kunnen vliegen. “Een merkwaardig privilege. Zwanenvlees werd nauwelijks gegeten. Het zou te taai en bitter zijn. Niet dat er geen zwanen op tafel verschenen. Maar dan in zijn geheel en bovenop een vleespastei, gewoon ter versiering.”

Bij het gewone volk ging in latere tijd een stuk knobbelzwaan er wel in. “Tot in de jaren zestig kon je op de Albert Cuypmarkt nog zwanenvlees kopen.” Tot de zwaan in de stad ging broeden en het opeens ‘zielig’ was.

Emoties

Mooie ontdekkingen dankzij jarenlang observeren, maar valt er voor ‘gewone’ mensen ook nog iets markants te zien? “O ja hoor. Het opvallende krimpen en zwellen van de knobbel op de snavel gedurende het jaar. Tijdens de baltsperiode hebben zowel mannetjes als vrouwtjes een grotere. De knobbel is een maat voor de fitness en dus iets om mee te pronken.”

Ook het verschil in Poolse en oorspronkelijke zwanen is makkelijk te zien. Niet alleen bij de jongen - die van de Poolse zijn wit, de andere bruin – maar in later jaren ook aan de pootkleur.

Na al die jaren studie heeft Eggenhuizen nog steeds vragen genoeg. Prangend is die van de emoties. “Dat zwanen verdriet zouden hebben en zouden rouwen om een verloren partner is natuurlijk baarlijke nonsens. Ze zoeken gewoon rap een nieuwe. Maar om nou te zeggen dat zwanen helemaal geen gevoel hebben, is mij toch te veel een uitwas van anti-antropomorfisme (het toekennen van menselijke eigenschappen aan niet-menselijke wezens). Als man en vrouw bij elkaar komen en je hoort ze elkaar begroeten op het nest dan spat daar toch de emotie vanaf?”

Ton Eggenhuizen schreef onlangs het boek ‘De knobbelzwaan’. Uitgeverij Atlascontact. € 24,99

Lees ook

De natuur is de meest toekomstbestendige instantie die we kennen, daar moeten we van leren

Is een goede leider een dominant mannetje op de apenrots? Is een bedrijf succesvol als het concurrenten afmaakt? Welnee, stelt innovatie-expert Ylva Poelman. De natuur pakt het heel anders aan en overleeft al miljarden jaren.

De stadsslak woont met deze hitte het liefst in een geel huis

Zwoele avonden, klamme nachten: door dichte bebouwing en verkeer zijn steden ‘s zomers veel warmer dan het platteland. Wij doen het dan wat rustiger aan, maar wat doen dieren? De tuinslak zoekt de oplossing in zijn behuizing, blijkt uit onderzoek van Naturalis.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden