null Beeld Suzan Hijink
Beeld Suzan Hijink

Jelle's WeekdierWat is een dier? deel 2

Drie miljard jaar van louter eencelligheid

Uiteraard ben ik niet de eerste en de enige die zich afvraagt of en hoe je ‘het dier’ kunt definiëren. De oude Grieken braken zich er het hoofd al over. In de achttiende eeuw dacht de grote Zweedse natuurvorser Carolus Linnaeus dat hij het probleem had opgelost. Linnaeus onderscheidde in de natuur drie rijken: het mineralenrijk, het plantenrijk en het dierenrijk. Het onderscheid tussen de drie rijken was volgens hem eenvoudig. Mineralen kunnen alleen groeien (denk aan kristalvorming) en verder niets; ze leven niet en ze missen gevoel. Planten kunnen ook groeien maar leven bovendien, het gevoel ontbreekt echter (het kruidje-roer-me-niet was Linnaeus kennelijk ontgaan). Dieren ten slotte leven, hebben gevoel en kunnen groeien.

Een handige definitie: een schepsel dat leeft, kan groeien en gevoel heeft, is daarmee een dier. Omdat mensen leven, groeien én gevoel hebben, moesten ze volgens Linnaeus ook tot het dierenrijk behoren; een destijds welhaast ketterse gedachte, maar dat terzijde. Het zal u niet verbazen dat deze indeling en de bijbehorende kenmerken nu niet meer voldoen. Want waar zitten dan de eencelligen, de bacteriën, de virussen en ander klein grut? Linnaeus was op de hoogte van hun bestaan, maar schaarde ze bij gebrek aan beter onder de wormen. De overgrote meerderheid van alles wat leeft en groeit, zowel nu als in het verleden, is eencellig of bacterieel maar zeker geen worm.

Pas ongeveer zevenhonderd miljoen jaar geleden ontstonden meercellige organismen

Het leven begon ooit eencellig en kwam uiteindelijk bij de dieren uit – en bij onszelf, want dat had Linnaeus goed gezien. Het is een vreemde gedachte dat er al ongeveer 3,8 miljard jaar leven op aarde bestaat, maar dat dat leven tijdens die enorme tijdsspanne grotendeels eencellig was. Pas ongeveer zevenhonderd miljoen jaar geleden ontstonden meercellige organismen en kwamen er levende wezens die we als dieren kunnen beschouwen. Maar in die eerste ruim drie miljard jaar van louter eencelligheid vonden wel de belangrijkste evolutionaire veranderingen plaats. Er is ook nu nog een gigantische biodiversiteit aan bacterieel en andere eencellig leven, maar de rijkdom aan microscopisch grut tijdens die ongelooflijk lange periode die Precambrium wordt genoemd valt niet te onderschatten. Fossiel is er helaas weinig concreets van overgeleverd, maar aan de hand van het DNA van de nu levende bacteriële levensvormen kan er veel worden gereconstrueerd.

Wij weten niet beter dan dat ons DNA zit opgesloten in de celkern. Maar bacteriën hebben helemaal geen celkern. Hun genetisch materiaal zwerft in de vorm van DNA of RNA los door de cel. Een van de belangrijkste stadia in de evolutie is het ontstaan van de celkern, waardoor het genetisch materiaal voortaan veilig verpakt zit in de membraan van de kern. Een cel die over een celkern beschikt noemen we een eukaryote cel, van het Griekse eu (= goed of beter) en karyon (= kern). De meer ontwikkelde eencelligen, zoals het pantoffeldiertje, maar ook de planten, de dieren en de schimmels behoren dus tot de zogenoemde eukaryoten. Ze hebben een celkern. Kernloze bacteriën zijn geen eukaryoten. Overigens: dat pantoffeldiertje kan dan wel zo heten, een dier is het niet.

(Wordt vervolgd.)

Jelle Reumer is paleontoloog. Voor Trouw bespreekt hij iedere week een dier dat het nieuws haalt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden