Onderzoeker Jacqueline Henrot bij de Stinksloot in Leiden.

ReportageSlootjesonderzoek

Deze bioloog wil weten wat er langs de slootkant groeit, en u kunt haar helpen

Onderzoeker Jacqueline Henrot bij de Stinksloot in Leiden.Beeld Judith Jockel

Het onderzoek naar slootvegetatie is pril en het aantal gegevens erover is klein. Daar wil bioloog Jacqueline Henrot verandering in brengen, en hulp van het publiek kan ze daarbij goed gebruiken.

Het lijkt niet best gesteld met de oeverplanten in stad en dorp. Op heel weinig slootkanten is de diverse en bloemrijke vegetatie van natte bodems met bijvoorbeeld kattenstaart, valeriaan, gele lis en dotterbloem te vinden. “Nee, het meeste dat je aantreft zijn harig wilgenroosje, smeerwortel, bitterzoet en brandnetel”, zegt bioloog Jacqueline Henrot, gastonderzoeker bij biodiversiteitscentrum Naturalis in Leiden.

Verdere inventarisatie moet uitwijzen hoe de slootkanten erbij liggen en op welke manier de natuur kan worden geholpen. Omdat veel gegevens nodig zijn roept Henrot de hulp van Jan en alleman in via het Citizens Science-project Oeverplanten.

Vandaag neemt de onderzoekster een kijkje in Leiden. De Stinksloot in de Merenwijk heeft zijn naam in elk geval niet mee. De naam is gelukkig historisch en zeker voor de leek is de oever een en al natuur. Het fluitenkruid bloeit uitbundig en geurend hoog op de oever, vergeet-me-nietjes, boter- en paardenbloemen en harige wilgenroosjes kleuren de waterkant. Henrot zakt af tot vlakbij het water en loopt, steeds met een stok de oeverplanten beroerend, langzaam langs de sloot. “Riet. Ongunstig voor een bloemrijke oever. Een onstuitbare woekeraar waardoor er geen andere planten kunnen groeien.” Voor de zekerheid buigt ze het riet wat open, maar verder dan een doodgewone sliert haagwinde komt ze niet.

Voedselrijke bodem

Na het riet volgt een flinke portie brandnetel, ook al zo’n groeier. “Brandnetel, harig wilgenroosje en haagwinde wijzen alle drie op een voedselrijke bodem. Dan hoef je dus niets bijzonders te verwachten.”

Langzaam loopt ze door. Ze buigt, voelt af en toe aan planten en tikt wat in op haar telefoon. Op het naastgelegen fietspad stuiven joggers en fietsers voorbij. Het is zaterdag; blijkbaar een werkdag voor de bezitters van een volkstuin op het volkstuincomplex. Menig fiets is beladen met planten, harken en spaden.

Nederland moet honderdduizenden meters oever kennen, zo het er nog niet meer zijn. Een flink deel daarvan ligt in stedelijk gebied: terrein dat je niet direct koppelt aan biodiversiteit. Henrot nuanceert: “De uitgangssituatie is vaak ongunstig, maar met goed beheer kan de natuurlijke rijkdom worden opgekrikt. Belangrijk, want gezonde slootkanten kunnen verbindingszones vormen tussen natuurgebieden en leefgebieden op zich. Flora, libellen, vlinders en andere insecten en amfibieën profiteren.”

Woekeraars laten geen ruimte

Uit eerdere onderzoeken is bekend dat, in het algemeen, de rijkdom aan planten vooral bepaald wordt door de voedselrijkdom van de bodem. Op sterk bemeste grond floreren alleen sterke groeiers als gras, brandnetel en harig wilgenroosje: woekeraars die geen ruimte laten aan andere, zeldzamere planten die sowieso minder bemesting willen, zoals orchideeën, ratelaars of echte koekoeksbloemen.

Schaduw werkt ook belemmerend; planten willen over het algemeen licht. Voor de oeverplanten is ook de vochtigheid van groot belang. Te droog betekent ‘waardeloze’ ruigte. Steile hellingen zijn daardoor ongunstig, legt de botanicus uit.

Haar slenteren wordt bukken, plukken en kneuzen. “Kalmoes. Doet niet mee in het onderzoek, maar lekker is het wel.”

Flauwe helling

Wat verder langs de Stinksloot is de grond opeens veel natter. “Hier heeft de gemeente een natuurvriendelijke oever ingericht: met een flauwe helling die in het water loopt”, constateert Henrot. Ratelaar, kattenstaart en valeriaan sieren de oeverkant.

Omdat bekend is welke planten bij welke omstandigheden floreren, kan worden bepaald hoe de slootinrichting en -bodem er bij ligt. “En dat geeft dus de gemeente of waterschap een handvat voor verbetering.”

Voor haar onderzoek heeft Henrot 24 ‘indicatorsoorten’ uitgezocht, die iets zeggen over drie verschillende botanische kwaliteiten. Rood: soorten die gedijen op voedselrijke bodem, bijvoorbeeld bitterzoet en gewone smeerwortel. Geel: planten die bemesting iets minder tolereren, bijvoorbeeld valeriaan en wolfspoot. En groen: vegetatie van schrale bodems, zoals grote ratelaar en wilde bertram. “Dit zijn goed herkenbare soorten, ook voor de leek.”

Landelijke aanpak

Hemrots onderzoek richt zich op de oevers binnen de driehoek Leiden-Gouda-Haarlem. De grond binnen die driehoek is meestal van veen en het landschap bestaat uit polders. Omdat elke grondsoort en elk landschap zijn eigen indicatoren heeft, zouden voor een landelijke aanpak de indicatoren plaatselijk moeten worden ingevuld. “Uitbreiding van het onderzoek is natuurlijk belangrijk”, zegt Henrot. “Maar ik verzamel de gegevens van het onderzoek met slechts een paar anderen. Dat lukt dus voorlopig niet.”

Na een begin in Leiden en directe omgeving, waarbij 1600 keer een stuk sloot is geïnventariseerd, begint het onderzoek nu op stoom te komen en is uitbreiding van het aantal waarnemers en waarnemingen dringend gewenst. Doel is immers de gemeenten gegevens te verschaffen voor een groot aantal locaties, zodat zij de slootoevers beter kunnen verzorgen.

Op de vraag wat er zoal fout gaat bij het verzorgen, volgt een spraakwaterval van de biologe. Henrot is Waalse van geboorte en dat kleurt haar woorden. “Bij het uitbaggeren van de sloot of verwijderen van het eendenkroos worden bagger en kroos op de oever gegooid en vaak achtergelaten. Dat verrijkt de bodem. Zeldzamere bloemen hebben het daardoor moeilijk. In ons overbemeste land zijn de planten die van een schrale grond houden, minder algemeen.” En verder brengt boomaanplant schaduw, en een harde beschoeiing – soms nodig om afslag door golfslag te voorkomen – betekent een drogere oever.

Anders maaien

Ingrijpen in de ‘bouw’ van een oever is ingewikkeld. Een flauwe oever is niet alleen mooi vochtig, maar kent bovendien een flink aantal verschillen in vochtigheidsgraad. En dat staat weer garant voor een keur aan planten. Door een steile oever te verflauwen, valt volgens de onderzoekster flinke winst te halen. “Maar ja. Zo’n maatregel kost ruimte en geld.” Een ander maaibeheer, waarbij het maaisel wordt weggehaald en er niet overal tegelijk gemaaid wordt, kan al veel winst opleveren.

Een botanisch hoogstandje is de oever van de Leidse Stinksloot niet, zo blijkt wel uit Henrots weinig enthousiaste bevindingen, maar mooi zijn het paarsgele bitterzoet en de boterbloemen wel. Watermunt geurt zacht, een lantaarntje vliegt gracieus boven het water.

Dan dreigt een hond pal voor de onderzoekster in het water te springen. Het baasje roept het dier met succes terug. “Honden zijn uit botanisch oogpunt niet direct prettig. Hondenpoep is mest.” De hond trekt zich daar niets van aan.

Onderzoek zelf de slootkant

Het publiek kan meehelpen met het slootkantonderzoek van Jacqueline Henrot. Het is niet ingewikkeld of tijdrovend: een ‘oevercheck’ op de standaardmaat van 40 meter kost 10 tot 20 minuten. Je kunt zoveel stukken inventariseren als je wilt. Informatie en beschrijving van de planten is te vinden op: www.mijnoeverplanten.nl

Lees ook:

De modderkruiper, het buitenbeentje onder de vissen, loopt gevaar

Ondiepe sloten met een dikke laag modder en veel waterplanten. Dat is de ideale wereld voor de grote modderkruiper. Maar juist die leefomgeving loopt gevaar.

Waarom we de grootste bloedzuiger van Nederland moeten beschermen

De Hirudo medicinalis (medicinale bloedzuiger) komt in ons land nog maar op een paar plekken voor. De overheid laat de dieren nu inventariseren om ze beter te kunnen beschermen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden