Een coelacant wordt in een geprepareerd bad geplaatst voor een expositie in Parijs (2019) Beeld Hollandse Hoogte / AFP
Een coelacant wordt in een geprepareerd bad geplaatst voor een expositie in Parijs (2019)Beeld Hollandse Hoogte / AFP

Jelles weekdierCoelacant

De uiterst zeldzame Coelacant leefde tegelijk met de dinosauriërs, maar noem het geen levend fossiel

Groot was de verbazing toen in 1938 een Zuid-Afrikaanse visser een grote vis aan land bracht die niemand ooit eerder had gezien. Het bleek een zogenoemde kwastvinnige, een coelacant, een vissensoort die werd verondersteld samen met de dinosauriërs en de ammonieten aan het einde van het Krijt te zijn uitgestorven. Niets bleek minder waar. De aldus uit de dood herrezen vis was gevangen bij de monding van de Chalumna-rivier en werd als iets bijzonders herkend door de conservator van het ­natuurhistorisch museum van Oost-London, Marjorie Courtenay-Latimer. Het dier kreeg in 1939 de wetenschappelijke naam Latimeria chalumnae, waarin de namen van mevrouw Latimer en de rivier terugkomen. Er zijn er sindsdien meer opgevist; ook Naturalis bezit een exemplaar.

In 1997 fotografeerden twee toeristen op de markt van de Indonesische stad Manado op het eiland Sulawesi (Celebes) een grote vis die op een handkar werd vervoerd. Pas nadat het dier was opgegeten, werd hij op de foto herkend als een coelacant. Het bleek een tweede soort te zijn, Latimeria menadoensis gedoopt, waarvan sindsdien nog een paar exemplaren zijn opgedoken nadat de foto van de vis op de handkar onder de lokale vissers was verspreid. 

Het ziet ernaar uit dat de soort chalumnae langs de oostkust van Afrika voorkomt, en menadoensis bij Sulawesi. Er gaan geruchten dat er ook bij Nieuw-Guinea coelacanten zouden kunnen zwemmen. De dieren leven op grote diepte in volstrekte duisternis, dat maakt ze lastig te vinden.

Wat nergens op slaat: een levend fossiel

Al sinds de allereerste vondst staat de coelacant bekend als een levend fossiel. Er zijn van die termen die men gemakkelijk in de mond neemt, maar die feitelijk nergens op slaan; één zo’n term is het begrip ‘levend fossiel’. Een fossiel is het overblijfsel of het spoor van een organisme dat ooit heeft geleefd. Een fossiel leeft niet. Maar toch worden diverse nu levende dier- en plantensoorten aangeduid met de term levend fossiel: de ginkgoboom bijvoorbeeld, of de paardenstaart, de degenkrab, de nautilus en dus ook de coelacant. Het lijken soorten uit een ver en grijs verleden, abusievelijk overgebleven uit een tijdvak dat er nog trilobieten over de zeebodem rondkropen of pterosauriërs door het luchtruim zwenkten. De term ‘levend fossiel’ is niet alleen een oxymoron, een contradictio in terminis, het is ook onzin. Een fossiel is dood en als iets leeft, is het geen fossiel.

De term suggereert ook dat er geen evolutie meer plaatsvindt, alsof de nog levende degenkrabben en coelacanten miljoenen jaren on­veranderd zijn gebleven en als het ware een kogelvrij vest dragen om mutaties tegen te houden.

Niets is minder waar, zo bleek uit een recente ­studie naar de genetica van de coelacant. Het zeer technische artikel gaat over een bijzondere groep genen, zogenoemde transposons, genen die heen en weer kunnen springen van het ene chromosoom naar het andere. Het bleek dat zulke transposons wel in de soort chalumnae actief zijn geweest, maar niet in de Indonesische coe­lacant.

Conclusie: de evolutie is gewoon doorgegaan. Een levend fossiel is dus niet zó fossiel dat er niets meer aan verandert. Vergeet die term.

Jelle Reumer is paleontoloog. Voor Trouw bespreekt hij iedere week een dier dat het nieuws haalt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden