Jelle's Weekdier

De schrik van elke gazonliefhebber: de hitsige mannetjesmol

De talpa europaea. Beeld Buiten-beeld

De landelijke mollentelling is weer achter de rug, Nederland heeft zijn mollen geteld. De tellers mochten alles meetellen wat des mols is: molshopen, platgereden mollen langs de weg, mollen in mollenklemmen, het deed er niet toe. 

Ikzelf zat ten tijde van de telling in Normandië, in een huis met uitzicht op een aardige hoeveelheid molshopen, maar die telden helaas niet mee want dat waren geen molshopen, maar taupinières. Dat komt van het Franse woord voor mol, taupe. In het Latijn heet hij talpa. (Dan weet u meteen waar media­tycoon John de Mol de naam van zijn imperium vandaan heeft; daar was dus niet veel fantasie voor nodig.)

Mollen zijn uiterst nuttig voor het bodem­ecosysteem. Ze doortunnelen de grond, houden die luchtig en eten gaandeweg allerhande wormen, rupsen, engerlingen en ander bodemgedierte.

Kolenschoppen

Voor al dat graafwerk heb je wel een paar stevige armen nodig. Mollen hebben de meest gespierde armen van het dierenrijk – die van Epke Zonderland stellen daarbij vergeleken bar weinig voor. De benodigde ruimte op het opperarmbeen van de mol om al die spieren (de biceps, de triceps, de ­teres major en de pectoralis en hoe ze verder ook mogen heten) aan te hechten, is zo groot dat het betreffende bot ongeveer even breed als lang is.

En dan die handen! De mol heeft kolenschoppen, of beter: oversized honkbalhandschoenen, waarvan de vingers elk zijn voorzien van nagels als een klein tuinschepje. Ze kunnen er een waanzinnige kracht mee zetten. Ooit groef een mol die ­levend door een reiger was ingeslikt zich met die gekke handen een weg naar buiten, dwars door de maagwand, de buikwand en het vel van de arme vogel (die deze actie uiteraard niet overleefde).

En nu zijn ze geteld. Het woordgrapje ‘waar is de mol?’ deed zijn intrede. De mollentelling is weer zo’n mooie vorm van burgerwetenschap, citizen science, net als de vlindertelling, de tuinvogeltelling, de bodemdierentelling en zo nog wat.

Golfbanen

Op deze manier krijgen we veel informatie over de Nederlandse biodiversiteit en hoe het daarmee staat. Meer dan 3500 mensen gaven hun mollenwaarnemingen door. Er zijn 40.000 hopen geteld (één mol kan er vele maken), maar ook 45 dode mollen. De meeste molshopen waren er in Zuid-Holland. In Drenthe meldde de provincie trots dat er daar 2000 hopen waren geteld. Mollen komen in het gehele land voor, met uitzondering van de Waddeneilanden, wat uiteraard komt doordat ze niet kunnen zwemmen.

Mollen houden van hun rust, ze komen het liefst niemand tegen. Elke mol leeft in zijn eigen territorium en pas als de mannetjes op zoek gaan naar een vrouwtje trekken ze eropuit. Dan ontstaan mollenritten, rijen molshopen die als een ketting door het land lopen. Het zijn de hitsige mannetjes die de meeste schade aanrichten, ­exploitanten van golfbanen kunnen ervan wakker liggen. Zoals veel diersoorten kent de mol liefhebbers en bestrijders. De grootste hekel aan mollen heeft men in het met veel regen gezegende land dat zijn grasgroene gazons tot in het absurde koestert, Engeland. Er zijn dan ook meerdere Engels­talige boeken over mollenbestrijding verkrijgbaar.

Jelle Reumer is paleontoloog. Voor Trouw bespreekt hij iedere week een dier dat het nieuws haalt. Lees hier eerdere afleveringen van Jelle’s Weekdier.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden