Crassostrea virginica tiert welig aan de oostkust van de Verenigde Staten. 
 Beeld Sarah Donelan
Crassostrea virginica tiert welig aan de oostkust van de Verenigde Staten.Beeld Sarah Donelan

Jelle's weekdierOester

De oester zal de oesterslurper ruimschoots overleven

De oester, je houdt ervan of walgt ervan. Ik geef meteen toe dat ik tot de eerste categorie behoor, maar ook dat het wel even wennen was. Net als je eerste slok bier (tegenwoordig uiteraard niet onder de achttien), is je eerste oester bepaald geen feestmaal.

Ik herinner het me nog goed, ik nam als tweedejaars deel aan een door de geologiefaculteit georganiseerde excursie naar Normandië om krijtrotsen en granietvoorkomens te bekijken. ’s Avonds werd de dag nabesproken en rijkelijk met wijn besprenkeld afgesloten.

En met oesters. De soort kan ik me niet herinneren, maar het was begin jaren zeventig dus het moet de Japanse oester geweest zijn, Crassostrea gigas. Deze soort is begin jaren zestig geïntroduceerd, nadat de inheemse platte oester (Ostrea edulis, in de handel platte Zeeuwse oester genoemd), door een uitbraak van de oesterziekte bijna was uitgeroeid en de handel teloor dreigde te gaan.

Vrijwel alle consumptieoesters die tegenwoordig in Europa te koop zijn, zijn Japanse oesters, vaak creuses genoemd vanwege de veel hollere schelp (creuse is Frans voor hol). Ze zijn ook grilliger van vorm dan de platte oesters, niet bijna cirkelrond maar ovaler en meer geribbeld. Ze kunnen wel 40 centimeter groot worden, en zijn dan hooguit nog geschikt om te gratineren, en enorme riffen vormen. Bij laag water in de Oosterschelde zijn die goed te zien.

Negentiendeeeuwse oestergekte

Aan de overkant van de Atlantische Oceaan wordt een soortgenoot geconsumeerd, de oosterse oester Crassostrea virginica. Ooit bloeide daar een enorme oesterhandel met New York als centrum. Toen de Hollanders in de zeventiende eeuw de nederzetting stichtten die nu New York heet, leefde daar het Lenape-volk dat zoveel oesters at dat er kolossale afvalhopen lagen, zoveel dat men er kalk van kon branden.

Het wemelde in de rivier de Hudson van de oesters, genoeg om een bloeiende bedrijfstak te laten ontstaan. In de negentiende eeuw was sprake van een oestermanie. Men at twee maal per week oesters en er waren zelfs straatverkopers. Rond 1880 produceerde New York 700 miljoen oesters per jaar.

Dat ging goed tot vervuiling door in de rivier gedumpt stadsvuilnis zorgde voor uitbraken van cholera en buiktyfus. De handel stortte compleet in. Wie er meer over wil weten, leze The big oyster van Mark Kurlansky.

Ook nu hebben de oesters last van stress. Een studie van drie Amerikaanse biologen, als pre-print verschenen in het tijdschrift Ecological Applications, toont de effecten van opwarmend zeewater en het lagere zuurstofgehalte als gevolg daarvan. De oesters kunnen daar slecht tegen, maar omdat ze vast zitten kunnen ze nergens heen. Ze ‘verdedigen’ zich door meer schelp en minder vlees te produceren. Dat is slecht voor de handel. Zoals een eeuw geleden de vervuiling voor problemen zorgde, is er nu dus de klimaatverandering die roet in het oester­eten gooit.

Maar er is hoop. Oesters vormen een uiterst taaie diergroep, ze bestaan al honderden miljoenen jaren en ondanks ziektes, waterverontreiniging, zuurstofgebrek en opwarming is het een geruststellende gedachte dat er altijd oesters zullen zijn, lang nadat de laatste oester-slurpende mens is uitgestorven.

Jelle Reumer is paleontoloog. Voor Trouw bespreekt hij iedere week een dier dat het nieuws haalt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden