Jelle's WeekdierKaapse pelsrob

De natuur is wreed voor de Kaapse pelsrob

De Kaapse pelsrob in de wateren rond Seal Island, nabij Kaapstad.  Beeld
De Kaapse pelsrob in de wateren rond Seal Island, nabij Kaapstad.Beeld

De grote zoogdierorde van de roofdieren, de Carnivora, is onderverdeeld in twee onderorden, de landroof­dieren (zoals katten, honden, beren, marters en civetkatten) en de zeeroofdieren, ofwel Pinnipedia (wat letterlijk ‘vinvoetigen’ betekent) en waartoe de zeehonden (familie Phocidae), oorrobben (Otariidae) en walrussen (Odobenidae) behoren. Oppervlakkig bekeken lijken zeehonden en oorrobben op elkaar, maar er zijn opvallende verschillen. De naam zegt het al: oorrobben bezitten een uitwendige oorschelp, hoewel die vaak niet veel voorstelt. De zeehonden zijn die kwijtgeraakt en daarmee nog beter aan het leven in zee aangepast. De achterpoten of -flippers van oorrobben zijn ­bovendien beweeglijker en minder tot vin om­gevormd; bijgevolg kunnen oorrobben op land nog een beetje lopen, terwijl zeehonden zich dankzij hun verder verflipperde achterpoten slechts koddig hobbelend kunnen voortbewegen; wie ooit zeehonden op het strand heeft ­gezien, weet wat ik bedoel.

Een vertegenwoordiger van de oorrobben die onlangs in het nieuws was, is de Kaapse pelsrob, ook wel Zuid-Afrikaanse zeebeer genoemd, ­Arctocephalus pusillus. Het is de grootste van de zeeberen, wat bij mij verbazing oproept over de soortnaam pusillus, wat ‘klein’ betekent. De mannetjes kunnen tot wel 300 kilo wegen en bijna tweeënhalve meter lang worden. De vrouwtjes zijn met een lengte van minder dan twee meter en een gewicht van 120 kilogram ­bescheidener van omvang.

Bij Walvisbaai slaat de rampspoed toe

Pelsrobben komen voor langs de kusten van Angola, Namibië en Zuid-Afrika en ook die van zuidoostelijk Australië en Tasmanië. Die dieren worden ook wel Australische pelsrob genoemd, ze vormen een andere ondersoort dan de robben bij Afrika. Het verschil zit ’m onder andere in een andere voedselvoorkeur, de Afrikaanse pelsrobben verkiezen vis, de Australische ondersoort prefereert inktvissen en octopussen.

De grootste kolonies van deze enorme ­vinvoetigen bevinden zich in Namibië, waar bij Cape Cross ten noorden van de stad Swakopmund een groep van minimaal 75.000 pelsrobben is te vinden; in het zuidelijke zomerseizoen (november en december) kan de kolonie uitgroeien tot wel 200.000 dieren. Ik ben er nooit geweest, maar het moet er een gigantische herrie zijn en onbeschrijflijk stinken. Wie lawaai en stank weet te trotseren, schijnt iets onvergetelijks te beleven. Op foto’s die op internet te vinden zijn, ziet het strand van Cape Cross eruit als de Costa del Sol tijdens het hoogseizoen: duizenden vette lijven zij aan zij uitgestrekt op het zand.

Maar nu heeft rampspoed toegeslagen. Bij de pelsrobbenkolonie op Pelican Point bij Walvisbaai werden duizenden dode robbenfoetussen op het strand gevonden, even later gevolgd door een massale sterfte onder vrouwtjes. Vermoedelijk is voedselgebrek de oorzaak, maar helemaal zeker is dat nog niet. Bij Cape Cross werd in 1994 hetzelfde verschijnsel waargenomen; toen stierven tienduizend vrouwtjes en werden vijftienduizend vroegtijdig geaborteerde foetussen gevonden; destijds werd dat geweten aan een tekort aan vis in combinatie met een bacteriële infectie. Hoe akelig ook, het is de natuur. Dat kan helaas niet worden gezegd van de duizenden jonge pelsrobben die jaarlijks worden doodgeknuppeld voor de bonthandel. De natuur zelf, zo blijkt, is al wreed genoeg, daar hoeft de mens niet nog een schepje bovenop te doen.

Jelle Reumer is paleontoloog. Voor Trouw bespreekt hij iedere week een dier dat het nieuws haalt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden