Insecten

De namen van insecten: verzinsels met een idee erachter

Motmug van het geslacht Psychoda.

Langsprietplatbek, wrattenbijter, duivelsberg weinigpotige, plat dakje, kleine fopblaaskop, piemelkrieltje en zoemertje. Insecten hebben soms bijzondere namen. Hoe krijgen ze die? 

Verrukkelijke poëzie, maar wel vol geheimen. Want wie weet nou dat achter de naam wrattenbijter een sprinkhaan zit en dat piemelkrieltje een zweefvlieg is? Heerlijke namen, maar van doorwrochte wetenschap lijkt geen sprake. Eerder meligheid of dronkemanspraat.

“Ja, dat moet ik bekennen. Een lichte beneveling komt een enkele keer wel voor. Zo zocht jaren geleden een groepje vrienden me op in Zweden. Omdat drank daar heel duur is, brachten ze een fles whisky mee. Het bracht ons tot mooie vondsten: juweeltje, penseeltje en steenloper. Maar de meeste Nederlandse namen bedenk ik heel nuchter. Vooral tijdens het fietsen. De monotone beweging zet blijkbaar de fantasie aan het werk. Zo vond ik laatst de naam Neeltjes voor de groep springstaarten van de orde Neelipleona. Bolvormige beestjes die er echt als een Neeltje uitzien.”

Matty Berg, hoogleraar bodemfauna en natuurlijke ecosysteemdynamiek aan de Vrije Universiteit en de Rijksuniversiteit Groningen, is gespecialiseerd in springstaarten, pissebedden en veelpotigen en heeft naast zijn eigenlijke wetenschappelijke werk, een flinke klus te klaren: ruim driehonderd soorten springstaarten van een Nederlandse naam voorzien. Driehonderd beestjes van hoogstens 6 millimeter groot.

Een fors karwei, maar het plezier is groot. “Ik zoek nu naar een naam voor een groep met gaatjes in de huid.”

Het genoegen geldt ook voor Weia Reinboud die als amateur-entomoloog, een van de weinige kenners binnen Europa, probeert de zestig soorten Nederlandse motmuggen van een klinkende naam te voorzien. Ze heeft er al twintig waaronder de zigzagpsychoda, de driebandpericoma en de ongelijke pneumia.

De wetenschappelijke naam is voor velen abracadabra

Plezant voor beiden, maar het brengt meteen de vraag naar het waarom. Wat is het nut van Nederlandse namen voor springstaarten en motmuggen? Hoeveel mensen weten er nou wat het zijn? Je moet al priemende ogen of een loep hebben, wil je in de grond of een composthoop een springstaart weten te vinden. En alleen een niet overdreven schoon persoon treft in het afvoerputje in zijn badkamer een wc-motmug aan (hoogstens 5 millimeter groot).

Het blijkt een kip-en-ei-kwestie. De onbekendheid valt wel mee, benadrukken beiden. Op Waarneming.nl, de website waarop iedereen waarnemingen van planten en dieren kan melden, plaatsen ook leken geregeld foto’s. Maar de wetenschappelijke naam is voor velen abracadabra. Berg: “En als er al een Nederlandse naam aan de waarneming wordt gegeven, dan is die meestal onlogisch. De bietenspringstaart bijvoorbeeld. Het dier heeft helemaal niets met rode bieten of suikerbieten van doen.”

Goede Nederlandse namen zijn volgens beide kenners geen luxe, ook al omdat een Nederlandse naam voor de meeste mensen veel makkelijker te onthouden is dan de wetenschappelijke. Toch laat Reinboud het Latijn niet helemaal varen. “Voor mij zijn wetenschappelijke namen, die altijd uit twee woorden bestaan, een brij van letters die ik heel moeilijk kan onthouden. Door alleen een van de twee door een Nederlandse te vervangen heb ik een kapstokje om de volledige wetenschappelijke naam te onthouden.”

Buitenbeentjes onder de naamgevers

Dat klinkt onlogisch en ingewikkeld voor ‘de gewone man’, maar is heel gebruikelijk, onder meer bij tuinplanten. Zo is Orchis de Latijnse naam voor de familie van de orchideeën die in de Nederlandse naam terugkomt: bijenorchis, rietorchis en wespenorchis. Analoog daaraan werd Peripsychoda fusca de bruine Peripsychoda en de Peripsychoda auritculata de kromme Peripsychoda. Fusca betekent bruin, auriculata heeft een krom vleugeladertje.

Berg heeft dergelijke hulpmiddelen niet nodig: hij kiest voor puur Nederlandse namen.

Nederland telt 30.000 soorten insecten en andere ongewervelden. Een groot deel kreeg van de kenners een Nederlandse naam. Toch zijn Berg en Reinboud buitenbeentjes onder de naamgevers. De meeste entomologen zijn ‘verzot op genitaliën’: die gebruiken ze om te determineren. Reinboud: “Maar daarvoor zou ik elke motmug dood moeten maken. Dat lijkt me niet zo’n goed idee. Ik wil op grond van een foto determineren. Dan kunnen andere mensen dat ook en blijft het leuk.”

Ook Berg blijkt geen genitaliëngluurder. Niet principieel, maar “springstaarten hebben nauwelijks herkenbare inwendige geslachtorganen. Daar valt dus niets aan te zien.”

De motmug pneumia.

De springvork of haren van het diertje leveren van een foto evenmin een aanknopingspunt voor een naam. De springvork (het orgaan waarmee het dier springt) zit meestal onder het lijfje geklapt, de haren zijn te klein om zonder microscoop of loep te kunnen zien. Antennes, kleur of vorm van het lijf blijken vaak bruikbaarder. Het witkegeltje voor een bleke springstaart met een dikke antenne, geitjes voor de bolvormige springstaarten met lange ‘op de hoorns van een geit lijkende’, antennes en sneeuwspringstaarten voor de dieren die, jawel, op de sneeuw leven.

Berg: “Ik zit nu na te denken over de soorten met gaatjes in hun lijf”. Soms is het niet echt ingewikkeld, zo blijkt. De verslaggever oppert vergietjes. “Mooi idee. Eens kijken of het bruikbaar is.”

Ook bij Reinboud is uiterlijk veelal leidend bij de naamgeving. Zo heeft ze haar dakjes. “Motmuggen van het geslacht Psychoda vouwen de vleugels als een dakje tegen elkaar, dat worden de Dakjes”, ze vouwt de handen als een puntdak. “Andere die er sprekend op lijken houden de vleugels vlak met een opening ertussen. Geslacht Philosepedon noem ik daarom de Platte dakjes.” Een dakje met gestippelde vleugels werd het Panterdakje.

Lekker vrijblijvend, een spelletje voor op regenachtige dagen

Is het uiterlijk niet exclusief genoeg, dan kunnen altijd nog de biotoop waarin springstaart of motmug zich prettig voelt of de wetenschappelijke naam inspireren. Zo werden de Neelipleona Neeltjes en krijgen de soorten met maritima in hun wetenschappelijke naam ‘zee’ in hun Nederlandse. De cincta (Latijn voor bandje) krijgen een bandje. De motmug Clogmia rothschildi werd Rijke clogmia, “Rothschildi is een rijke bank. Deze soort is rijk getekend.”

Met al die verzinsels en vrije associaties lijkt de naamgeving lekker vrijblijvend, een spelletje voor op regenachtige dagen. Zijn er geen regels? Hoe zit dat met goedkeuring door Eis Kenniscentrum Insecten en de Nev, de Nederlandse Entomologische Vereniging?

Uitvoerende en controlerende macht blijken één. Reinboud heeft binnen Eis ter goedkeuring de werkgroep motmuggen opgericht. “Ik ben het enige actieve lid.” Berg zal de namen voorleggen aan de sectie bodemfauna van de Nev, waarin hij zelf zitting heeft.

Abstract gepraat, tijd voor echte beesten. Berg wroet wat in een bloempot, Reinboud staart in een gft-bak. Een springstaart en motmug worden benoemd.

Lees ook: 

Nieuwe wesp ontdekt: de Aphaereta vondelparkensis, drie keer raden waar hij is gevonden

52.3557°N 4.8588°E: onthoudt die plek! Daar is afgelopen zomer een heuse nieuwe soort aangetroffen, in een stukje rottend kippenvlees dat diende als lokaas. Om precies te zijn: daar is de sluipwesp Aphaereta vondelparkensis aangetroffen.

Systeem Linnaeus kraakt in zijn voegen

Biologen beraden zich op een nieuwe manier om de natuur te classificeren. Het oude systeem van Linnaeus zou niet meer voldoen, omdat het te zeer botst met de groeiende kennis over de evolutionaire verwantschap tussen organismen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden