Reportage

De Duitse bruinkoolregio wacht de energietransitie af tussen hoop en vrees

Sloopwerk in het dorp Manheim, dat moet wijken voor de bruinkoolmijn. Beeld Koen Verheijden

Duitsland wil helemaal stoppen met kolenenergie, en wel sneller dan gepland. In het bruinkolengebied nabij Keulen leidt dat tot hoop en vrees. De een vat moed: misschien wordt zijn dorp nu niet gesloopt. De ander vreest voor zijn baan en voor de toekomst van de Duitse industrie. ‘Veel mensen in de regio identificeren zich met kolen, dat moet je niet onderschatten.’

ANGST

Dikke sneeuwvlokken vallen op de provinciale weg vlak onder het stadje Grevenbroich, ten westen van Keulen. Dan doemt een gebouw op van honderden meters lang, als een reusachtig stoomschip met tientallen schoorstenen: bruinkoolcentrale Frimmersdorf. Ooit was dit de grootste centrale ter wereld, uitgestrekt over 68 hectare grond. Sinds enige jaren ligt zij stil.

Die sluiting was volgens planning: de blokken waren verouderd. Maar ook voor de twee nog draaiende centrales een paar kilometer verderop, bij Neurath en Niederaußem, lijkt nu het einde te naderen. Het zijn de grootste – en vervuilendste – kolencentrales van het land en ze kunnen nog wel even vooruit. Maar Duitsland wil helemaal van bruinkool af, en wel in een hoger tempo dan de energieconcerns hebben gepland. Neurath en Niederaußem, die grotendeels uit de jaren zestig en zeventig stammen, gaan Frimmersdorf waarschijnlijk binnenkort achterna. 

Beeld Louman & Friso

“Kijk, die blokken gaan er mogelijk als eerste aan”, zegt monteur Josef Schmitz (58) somber, wijzend naar groene buizen en dikke, kegelvormige koeltorens. De kolencentrale van Neurath verdwijnt half in de sneeuwwolken. Nog net leesbaar is het opschrift RWE: Duitslands grootste energieconcern dat in Noordrijn-Westfalen de kolenenergie produceert. Schmitz staat op de parkeerplaats bij de ingang van de centrale. Andere medewerkers willen niet praten, ze lopen met stuurse gezichten naar hun auto’s. “Iedereen is onzeker”, zegt Schmitz.

Friedrich en Gustav

De centrale van Neurath heeft zeven blokken. “Dat zijn Anton, Berta en Cesar”, zegt Schmitz, haast liefkozend. Een andere kant uit wijzend: “En daar heb je Dora en Emiel”.

Die moeten nu dus allemaal dicht. Te oud. Te vies. Alleen Friedrich en Gustav, afgeleverd in 2012, ontspringen de dans. Idioot vindt Schmitz het. Hij werkt al veertig jaar bij RWE en kent al die buizen en schoorstenen op zijn duim. “Het gaat te snel. Niemand weet of de stroomverzorging in Duitsland zonder bruinkool is gewaarborgd. Wat gaat daarvoor zorgen? Wind en zonne-energie?” Sceptisch: “Ziet u ergens de zon? Het probleem is dat we al die duurzame stroom niet kunnen opslaan. En toch stappen we zo gehaast uit de kolen. Onverantwoord.”

Over zijn eigen toekomst maakt hij zich niet druk: hij gaat met vervroegd pensioen. Voor jongere collega’s zijn het bangere tijden, weet hij. “Ik vind het wel goed dat er voor hen gezorgd zal worden.” De kolencommissie wil miljarden uittrekken om ontslagen kolenarbeiders op te vangen. Gerust zijn die jongere collega’s er niet op, getuige spandoeken aan de hekken: ‘Zonder bruinkoolstroom sterft de hele regio!’ en ‘Arbeidsplekken behouden in plaats van kolen afschaffen’.

Gas uit Rusland

Niet alleen kolenarbeiders hangt ontslag boven het hoofd. Ook werknemers bij andere bedrijven vrezen voor de toekomst, zegt Schmitz. “Hier dichtbij staat een aluminiumfabriek. Zonder goedkope kolenstroom heeft die echt een probleem.” De autonomie van Duitsland, van de Duitse industrie, staat op het spel, meent hij. “Bruinkool is het laatste wat we hebben. Atoomenergie verdwijnt, steenkool ook al. Straks moeten we alles importeren en draaien we op gas uit Rusland.”

En hoe zal het de centrale van Neurath na sluiting vergaan? Wat gebeurt er met Anton, Berta, Dora en Emiel? Schmitz: “Daar kun je niks meer mee. Ik zag het in Frimmersdorf. Zelfs afbreken en het schroot verkopen bleek te duur. Nee, die zullen ze gewoon laten wegrotten.”

De bruinkoolcentrales bij Grevenbroich. Beeld Koen Verheijden

Hij heeft een punt: niemand weet wat er met Neurath en Niederaußem moet gebeuren als ze dichtgaan, zegt Ralph Sterck van de Zukunftagentur Rheinisches Revier. De regering van Noordrijn-Westfalen vroeg hem om plannen te maken voor de economische heroriëntatie van de regio. Sterck heeft 150 projecten bedacht, een toekomstplan voor de centrales zit er niet bij.

Er wordt wel over nagedacht, zegt hij. Een mogelijkheid is om ze om te bouwen tot gascentrales. Maar inderdaad, dat gas moet uit Rusland komen. En: “Rendabel is dat niet, de overheid zal moeten bijspringen”. Je kunt er ook batterijen van maken voor duurzame stroom, maar zulke grote opslagplekken bestaan nog niet, het is de vraag of het technisch gezien haalbaar is.

Geld genoeg

“We staan nog maar aan het begin”, benadrukt Sterck. Hij ziet vooral veel kansen voor de streek. Budget is er genoeg: als het aan de kolencommissie ligt, regent het straks geld uit Berlijn. Sterck wil investeren in onderzoek en innovatie. En de kolenarbeiders? De jongere moeten worden omgeschoold tot handwerkslieden, zegt hij, daaraan heeft Duitsland een nijpend tekort.

Beeld Koen Verheijden

Hans-Willi Bahlmann moet nog maar zien wat er van alle plannen terechtkomt. Hij leidt in Niederaußem de vakbond voor kolenarbeiders, de IG Bergbau, Chemie, Energie. “De heren politici spreken mooie woorden, maar we weten niet wat er gebeurt. De plannen zijn vaag, luchtkastelen als je het mij vraagt. Ja, er komen misschien een paar nieuwe banen, maar waarschijnlijk slechter betaald. En denk eens aan alle ondernemingen die afhankelijk zijn van kolenstroom … Nee, we gaan een moeilijke tijd tegemoet.”

Dat denkt ook Nowak Roman (55), die op het marktplein in Grevenbroich door de dichte sneeuw naar de bakker loopt. “De regio heeft de afgelopen twintig jaar liggen slapen. Er is niet geïnvesteerd in nieuwe sectoren.”

Toch is hij blij met de Kohleausstieg. Roman heeft sinds vier jaar astma, iets wat hij aan de kolencentrales wijt. “Al kan ik het natuurlijk niet bewijzen.” Hij woonde acht jaar precies tussen de centrales van Neurath en Niederaußem in, nu woont hij in Frimmersdorf. “Vroeger zagen de ramen zwart van de uitstoot, die moest je regelmatig wassen.” Het klimaat is belangrijker dan goedkope stroom, zegt hij. “Het is jammer van de arbeidsplekken, maar wat heb je aan werk als je geen lucht meer in je longen krijgt?”

Sluitstuk

Kolenexpert Claudia Kemfert van het Deutsches Institut für Wirtschaftsforschung (DIW) in Berlijn begrijpt de zorgen in de regio. “Noordrijn-Westfalen is eerder omgeschakeld van oude naar nieuwe industrie: in het Rhurgebied. De ervaringen daar zijn zeer gemengd. Sommige delen floreren.” Maar op andere plekken ontstond werkloosheid en wrok. Er moet ook een cultuur worden veranderd. Veel mensen in de regio identificeren zich met kolen, dat moet je niet onderschatten.”

Toch denkt ze dat de sociale schade in de bruinkoolregio bij Keulen zal meevallen. “Voor het perspectief: in de jaren zestig werkten in Noordrijn-Westfalen 600.000 mensen in de kolen. Tegenwoordig een krappe 10.000. Dit wordt het sluitstuk van een lang proces.”

In het dorpje Neurath strooit Horst Siemoneit (62) zout op zijn stoep. Er wappert een Duitse vlag in de tuin. Hij werkt al 44 jaar als monteur in de bruinkolenmijn Garzweiler, die pal naast de centrales van Neurath en Niederaußem ligt. Blauw-wit geblokte trui, grote werkershanden. “Waar moeten we straks de stroom vandaan halen?” vraagt hij. “Atoomstroom uit Frankrijk, zeker? Ik ben zeer teleurgesteld in de hele politiek. Ik begrijp het niet. Ze laten ons in de steek.”

HOOP

De Garzweilermijn, waar Siemoneit werkt, voorziet niet alleen de centrales van Neurath en Niederaußem van stroom en de RWE-medewerkers van een salaris. De mijn walst ook over de huizen van andere streekbewoners heen. In de loop der tijd zijn in Duitsland 80.000 mensen wegens oprukkende kolenmijnen umgesiedelt, oftewel verplaatst. Hun dorpen, met kerktorens en al, gingen tegen de vlakte.

Beeld Koen Verheijden

Ook rond de Garzweilermijn staan voor de komende paar jaar vijf dorpen op de slooplijst. Bij een nabijgelegen mijn nog eens twee. De bewoners moeten hun huizen verkopen aan de RWE en verkassen naar elders, naar nieuwbouwwijken of -dorpen in de buurt.

En zo loopt de reusachtige mijn, het ‘grootste gat van Europa’, als een sociale kloof door het gebied: aan de ene kant wonen de mensen die van bruinkool leven. Zij zijn bang voor hun toekomst. Maar aan de overzijde liggen de dorpen die op de slooplijst staan: daar klinkt hoop. Als Neurath en Niederaußem dichtgaan, hoeft de mijn niet verder uit te dijen, blijkt uit een studie van het DIW. En kunnen de dorpen behouden blijven.

Afgebaggerd

Wolken hangen laag over het afgebaggerde land aan weerszijden van de A44, die van de ene kant van de Garzweilermijn naar de andere kant voert, over een dunne reep niet-afgegraven grond. Links en rechts steken zwarte machines als reusachtige insekten hun kop uit boven het land.

Tussen weilanden bedekt met sneeuw ligt het dorp Kuckum. “Al zo lang als ik leef, weet ik dat mijn huis op en dag wordt gesloopt”, zegt wiskundeleraar David Dresen (27). “Want al sinds 1983 weten we dat ons dorp weg moet.”

De meeste mensen, zegt hij, verdrongen die wetenschap, bleven hopen dat het niet waar was. Hij ook. “Pas enkele jaren geleden drong het echt tot me door. Ik was naar Borschemich gefietst, een paar kilometer verderop. Als kind speelde ik er vaak, mijn beste schoolvrienden woonden er. Ik was er drie maanden niet geweest. Toen al was het een spookdorp, maar nu: het was gewoon weg. Alles. Huizen, kerk: weg. Het was zo surrealistisch, ik dacht nog: ik ben verkeerd gefietst.”

Deel van een gat

Ook Kuckum zal zo eindigen, besefte hij. Een dorp met drie straten, waarvan de grootste In Kuckum heet, en 125 huizen, waarvan er nu al 35 leegstaan. “Mijn verleden zal worden weggevaagd. Het zal deel van het gat worden. Later kan ik zeggen: in dit gat heb ik gewoond. En nog weer later, als er een meer van is gemaakt: onder dit water stond mijn huis.”

Manheim. Beeld Koen Verheijden

Een huis dat zijn voorouders in 1862 bouwden. Zijn vader, timmerman, maakte er een uitbouw bij. Zijn opa (81), akkerbouwer, en oma (82) wonen nog in het oude deel. Erachter ligt weiland, 1,5 hectare, het gezin houdt er paarden. Als het dorp verdwijnt, krijgen ze nooit meer zoveel grond terug, zegt hij. “Vooral boeren lijden onder de verplaatsingen. Ze krijgen geld, maar ze willen grond. Maar die is schaars. De meeste houden dan maar op met het boerenbestaan.”

Dresen: “Onze toekomst is nog steeds onzeker, maar we durven nu voor het eerst te hopen. De strijd tegen RWE was vroeger kansloos: je vocht tegen een bedrijf dat tot in de kleinste haarvaten van deze deelstaat zit.”

Opoffering

Vroeger was er onder dorpelingen amper verzet, vertelt hij. “Ze hadden er begrip voor dat de verplaatsing nodig was. RWE stond voor welstand, voor goede banen, voor Duitsland als industrienatie, voor ‘wij Duitsers die alles voor elkaar krijgen’ en vooroplopen in de wereld. Kolen waren de motor achter het Wirtschaftswunder. Duitse energie, staal en chemie: die hoorden bij elkaar. Verdreven dorpelingen hadden haast een heldenstatus: zij offerden zich op.”

Nu niet meer. Kolen heeft een vies imago gekregen. Dresen: “Waarom zou je je nog opofferen voor energie die de meerderheid van de Duitsers niet meer wil? Dorpelingen die de afgelopen jaren vrijwillig vertrokken hebben nu spijt. Ze hebben gewed op het verkeerde paard, denken ze. Ze bellen ons op: Weet u of we ons huis kunnen terugkopen? Maar dat kan niet.”

Beeld Koen Verheijden

Voor sommigen komt de Kohleausstieg misschien toch te laat. Zoals voor de inwoners van Keyenberg , dat pal aan de Garzweilermijn ligt. In de dorpskerk staat weduwe Hedwig Drabik (85). “Deze kerk is ouder dan de dom van Aken. Kijk eens hoe goed ze is onderhouden. Dat ze die willen vernielen – misdadig.”

Drabik woont naast de kerk, haar man was organist en koorleider. Na de oorlog werd haar gezin verdreven uit Tsjechië omdat ze Duits waren. “Ik was twaalf. We moesten in een half uur weg. Nu overkomt me zoiets misschien weer. Als ik niet zelf wegga, word ik weer uit mijn huis gegooid. Ik dacht altijd: dan leef ik toch niet meer. Maar ik ben helaas nog te gezond …” Fel: “Ik ga niet weg, ik wil niet naar dat vreselijke nieuwbouwoord”.

Als de schemer daalt, loopt paardrijdocente Yvonne Kremers (31) naar de stal achter haar woning, aan de rand van Keyenberg. Ze tuurt in het witte niets van de sneeuw. Daar ergens staat de RWE-baggeraar, weet ze, op maar een paar honderd meter. ’s Nachts, als het niet zo sneeuwt, ziet ze de lichten, overdag hoort ze het geluid. “In 2021 begint de sloop van het dorp. Ik weet niet of we nog op tijd zijn. Maar we zullen voor elke vierkante meter vechten.”

Lees ook:

Adieu bruinkool, welkom armoede?

Duitsland zegt bruinkool vaarwel. Een plan met risico’s: er dreigt een armoedeval in drie regio’s en mogelijk meer boze kiezers.

Katowice, hart van de klimaattop én van de kolenindustrie

Polen zonder kolen is een utopie, zo blijkt in de Silezische stad Katowice waar de VN hun klimaattop hielden. Er wordt zelfs een nieuwe mijn geopend, tot onvrede van omwonenden. ‘We moeten laten zien dat we veranderen.’

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden