Ganzenvangers in Eemnes. De lokganzen worden terug in de kooi gestopt.

Reportage Veldonderzoek

De brandgans rukt op, en dus is er werk aan de winkel voor de ganzenflappers

Ganzenvangers in Eemnes. De lokganzen worden terug in de kooi gestopt. Beeld Bram Petraeus

Wie stopt de invasie van de brandgans? Daarvoor is heus ganzenmanagement nodig, en dat kan natuurlijk niet zonder onderzoek. Veldonderzoek, bij het krieken van de dag. 

Het is dat het drie mannen in oude kleren zijn en niet een frêle meisje, anders kon het tafereel zó uit een kinderboek komen. Het oogt in elk geval idyllisch, zo’n groepje ganzen dat, met zachte hand begeleid, op zijn gemak een kooi in waggelt. Een, twee, drie, vier, vijf, zes. Hoewel er nog vijf ganzen in het veld staan is het groepje blijkbaar compleet. De kooi gaat dicht en wordt door de mannen op een vlotje gezet dat in een smalle rechte sloot drijft. De mannen pakken een touw en net als bij de trekschuiten van vroeger trekken ze het vlotje in de richting van een gammel hutje in ‘de verte’.

Daar worden de zes – lokganzen, zoals de mannen later uitleggen – overgezet in een andere kooi waar ze op hun gemak wat water uit de drinkbakjes opslobberen. De mannen verdwijnen achter de rieten schermen die het hutje omgeven.

Ganzenonderzoekers Gerard Müskens (l) en Sander Moonen ringen en onderzoeken de brandganzen. Beeld Bram Petraeus

Plaats en tijd van handeling: een polder nabij Eemnes iets na het ochtendgloren. De wind is straf en ijzig, de temperatuur een fractie boven nul, de lucht klam en kil. De mannen: ganzenflappers.

Terwijl het drietal zich in de luwte van de schermen warmt aan een kop koffie komt een vierde, in overall geklede man tevoorschijn uit het hutje. Geen flapper, maar onderzoeker Gerard Müskens. De ganzenvangers turen gespannen de polder in, de onderzoeker vertelt.

Twintigduizend broedparen

Nederland heeft een probleem met brandganzen, althans volgens de overheid en de boeren, begint Müskens zijn verhaal. De afgelopen jaren is zowel het aantal broedende brandganzen als het aantal overwinteraars afkomstig uit andere landen, sterk gestegen. In 1990 overwinterden er enkele tienduizenden ‘brandjes’, nu zijn dat er 800.000. De broedpopulatie groeide van enkele paren in 1995 tot 20.000 broedparen nu.

De onderzoeker: “Ganzen zijn dooreters. Dagelijks consumeert elke gans bergen gras. De keutelproductie is navenant: elke vier minuten één. Het boerenland met zijn groene weiden vol eiwitrijk gras is onweerstaanbaar voor de brandganzen. En dat kost de boeren geld. De agrariërs worden financieel wel gecompenseerd door de provincies, maar zij noch de boeren zijn blij met de situatie. Tussen 2010 en 2016 steeg het schadebedrag en daarmee de schadevergoeding alleen in de provincie Friesland al van ruim 3 naar bijna 7 miljoen euro.”

Gekleurde en metalen pootringen

Terwijl de onderzoeker zijn verhaal doet, geeft een van de flappers uit een gesloten grote kist een gans aan om deze door Müskens te laten­­ ringen. Het dier is een uurtje geleden door de flappers gevangen. Voorzichtig meet de onderzoeker­­ de vleugel- en koplengte van het dier en zijn gewicht om het dier vervolgens met gekleurde en metalen pootringen van een individueel herkenbare identiteit te voorzien.

Het ringen van een gans. Beeld Bram Petraeus

De Nederlandse broedpopulatie wordt ‘gereguleerd’, vervolgt Müskens ondertussen ietwat eufemistisch zijn verhaal. Eieren worden kapotgeprikt en volwassen ganzen vergast gedurende de rui. Aan de winterganzen mag niet zomaar iets worden gedaan. Nederland heeft met andere Europese landen afgesproken (brand-)ganzen ’s winters op te vangen.

Om boerenschade te voorkomen, zijn er zogeheten opvanggebieden ingesteld. In die (gesubsidieerde) boerenweiden worden de ganzen met rust gelaten. Elders mogen ze worden verjaagd. De veronderstelling was dat de winterganzen zich in de opvanggebieden zouden concentreren waardoor de schade aan het overige boerenland zou verminderen. Het systeem werkt onvoldoende, onder meer omdat ganzen natuurlijk geen grenzen kennen.

Russische gasten

‘Onze’ overwinteraars zijn vooral afkomstig uit Rusland. Zowel daar als wereldwijd groeit het aantal brandganzen nog steeds gestaag. “In onder meer Rusland worden de ganzen bejaagd – Russen eten ganzen –, maar alleen tijdens de trek. In de broedperiode worden ze met rust gelaten. Omdat er nog voldoende onbezette potentiële broedgebieden zijn kan de populatie (nu ruim 1 miljoen op deze flywaypopulatie) voorlopig nog wel doorgroeien”, schetst Müskens de situatie. Omdat ook elders het aantal brandganzen blijft groeien, en daarmee ook de problemen, heeft een aantal landen, waaronder Nederland, de Agreement on the conservation of African-Eurasian migratory waterbirds gesloten. Doel is het opstellen van een plan voor internationaal ganzenmanagement. Zo’n plan begint met het vaststellen van aantallen en trekroutes. Vandaar het ringonderzoek door de flappers. Even wordt de onderzoeker afgeleid. De flappers worden onrustig. Hoog in de lucht komt een groepje brandganzen over. Helaas, de dieren vliegen door.

Geringde brandganzen worden weer vrijgelaten. Beeld Bram Petraeus

Terwijl hij de volgende, eerder gevangen, gans ringt en meet, en een van de ganzenflappers rept over een gans met een mooie sopraan en overslaande stem, hervat Müskens zijn verhaal.

Een aantal provincies in Nederland probeert nu de winterganzen te managen door ze te verjagen met zoals dat heet ‘ondersteunend afschot’. Provincies geven ontheffingen op het afschotverbod, Friesland bijvoorbeeld voor 100.000 brandganzen. Elke provincie én het buitenland heeft echter een, steeds wijzigend, eigen beleid. Uitgangspunt is overal dat afschot de schade zou beperken.

Afschot is ‘onzinnig’

Het onderzoek is nog niet afgerond maar voor Müskens zelf is één ding al wel duidelijk. “Dat afschot schade zou beperken is een begrijpelijke veronderstelling. Maar uit het oogpunt van populatiedynamiek kun je daar heel grote vraagtekens bij plaatsen. De wereldpopulatie brandganzen is nog lang niet op haar top en groeit gestaag. Schieten zal daarom lokaal wel helpen, maar absoluut niet om de wereldpopulatie naar beneden te krijgen. Afschot lijkt dus onzinnig te zijn. Nederland moet gewoon leren leven met rond een miljoen overwinterende brandganzen en een even groot aantal andere arctische ganzen Het boerenland hier is te aantrekkelijk met het beste gras ter wereld, zelfs in de wintermaanden.”

Eeuwenoude traditie

Het vangen van wilde ganzen – nu om ze te ringen, vroeger om ze op te eten – is een eeuwenoude traditie. Het hele jaar door zijn de flappers ermee bezig, onder meer om de ganzen te trainen. In oktober, als het vangstseizoen begint, wordt in de polder een groot net in de grond ingegraven. Het net kan met een kabel met veren omhoog worden getrokken.

Elke vangstdag wordt nog voor het ochtendgloren een groepje mannelijke ganzen aan een tuigje en voorzien van voer op 150 meter afstand van de hut in de wei gezet. Het zijn lokganzen. Bij de hut staan kooien met hun vrouwtjes en jongen.

Zodra er wilde brandganzen overvliegen, laten de ganzenflappers de vrouwtjes en de jongen los. Die zijn getraind om luid gakkend naar hun mannen te vliegen. De wilde ganzen worden hierdoor gelokt. Als de beesten landen, schiet het net over ze heen en zijn de ganzen gevangen. De flappers snellen toe om de wilde ganzen in kooien te zetten en naar de hut te varen. Daar worden ze geringd en weer losgelaten. Even later worden de vrouwtjes en hun jongen opgehaald; klaar voor de volgende vangst. De mannelijke ganzen worden aan het eind van de dag opgehaald.

Wouter Koelewijn (links) en Arie Heinen. Beeld Bram Petraeus

Lees ook:

Wetenschapper wordt ganzenvader en vliegt met ze mee

 Een Duitse vogelonderzoeker trainde jonge ganzen om hem te volgen bij vluchten met een ultralicht vliegtuigje. Hij bracht ze groot en leefde een jaar met ze samen. Daarover schreef hij een boek.

In de ziel van de vogel kijken, en dan tekenen

Illustrator Erik van Ommen houdt van vogels, en zijn liefde gaat maar niet over. Het liefst legt hij ze met een enkele penseelstreek vast. ‘Een vogel maakt iets in me los.’

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden