Jelle's weekdier

De blauwgestreepte schaalhoren, een dier om horendol van te worden

Jelle Reumer Beeld Maartje Geels

Een van de meer zeldzame weekdieren die ons land kent, is de blauwgestreepte schaalhoren, Patella pellucida, een zeeslakje. De soort is al lang bekend, niemand minder dan de grote Zweedse bioloog Carolus Linnaeus gaf het beestje in 1758 zijn wetenschappelijke naam. Linnaeus deed dat met een onbedoelde nauwkeurigheid, want hij bracht deze nieuwe soort destijds onder in het geslacht Patella (dat hij trouwens ook zelf had opgericht).

 In de meer dan tweeënhalve eeuw die sindsdien zijn verstreken, is de soort door andere biologen ondergebracht in de geslachten Helcion (dan werd het dus Helcion pellucida), Patina en Ansatus, maar tegenwoordig is de soort weer terug bij Patella. Wij Europeanen kennen de soorten uit dit geslacht vooral als de leuke 2-5 centimeter grote, in zijaanzicht driehoekige slakkenhuizen in de vorm van chinese strohoedjes die in Frankrijk, Engeland en andere landen met rotskusten overal te vinden zijn.

Veterwier

De blauwgestreepte schaalhoren leeft echter niet op rotskusten, maar vastgehecht aan bruin zeewier. Bij ons komt hij slechts zeer zelden voor. In de ecologische atlas ‘Schelpdieren van het Nederlandse Noordzeegebied’ staat hij vermeld als een zeldzame vondst, die heel soms op het strand aanspoelt op knotswieren en kelpwier. Ten westen van Rottum werd ooit een 12 millimeter groot exemplaar aangetroffen op drijvend veterwier. Kijk, als zo’n vondst in een atlas terecht komt, is het wel een zeldzaamheid!

Wat schetst nu onze verbazing: onlangs werden door de Zeeuwse amateurbioloog Hester Loeff niet minder dan 25 exemplaren van het blauwgestreepte zeeslakkenhuisje ­opgeraapt van het Banjaardstrand aan de westkant van Noord-Beveland. Zij loopt daar met grote regelmaat schelpjes te zoeken, of liever: gruis te verzamelen dat ze thuis uitzoekt. Ook bijzondere zeldzaamheden als de slakjes ­Ringicula auriculata (zonder Nederlandse naam), Capulus ungaricus (Hongaarse muts) en Velutina velutina (de fluweelhoren) trof zij er aan. Een of twee blauwgestreepte schaalhorentjes zouden er al een bijzonderheid zijn geweest, maar 25 exemplaren in een paar dagen tijd is een vondst die ­zeker de boeken in zal gaan.

De vraag is nu uiteraard hoe ze daar zo massaal terecht zijn gekomen. Heeft het te maken met de klimaatverandering? Dat is niet waarschijnlijk, ­gezien de voorkeur voor kouder water. Misschien is er ergens een groot veld bruinwier losgeraakt en zaten daar toevallig veel slakjes op. Waarschijnlijk komen we er nooit achter.

Keratine

Maar dan: heten deze slakjes schaalhoren, of schaalhoorn? In schelpengidsen is steevast sprake van horens: schaalhorens, ­tolhorens, fuikhorentjes en tepelhorens. Het leek me zo eenvoudig: een ­horen(tje) is een kegelvormig voorwerp, je koopt ook ijs in een horentje.

 Het woord hoorn, dat hetzelfde wordt uitgesproken, wordt vooral gebruikt om daarmee een materiaal aan te duiden: onze ­nagels bestaan uit hoorn. Eiwitachtig materiaal, ook wel keratine genoemd. Een koe heeft dus ­horens en die gemaakt zijn van hoorn. Maar je kunt hierover ernstig van mening verschillen, en mijn woordenboek zegt bij ‘horen’: ‘hoorn (zie aldaar)’. Etymologisch zijn het natuurlijk dezelfde woorden, indirect afkomstig van het Griekse woord keras. Je zou er horendol van worden.

Van zo’n spectaculaire schelpenvondst ook trouwens.

Jelle Reumer is paleontoloog. Voor Trouw bespreekt hij iedere week een dier dat het nieuws haalt. Lees hier eerdere afleveringen van Jelle’s Weekdier.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden