Reportage Biodiversiteit

Bronstige stieren helpen bijen en wespen

Beeld Jeroen Helmer (Ark Natuurontwikkeling)

Volwaardige natuur is de beste waarborg voor biodiversiteit. Zoals in de Ooijpolder, waar stieren zorgen voor een thuis voor insecten.

Lag er niet een man pontificaal op zijn buik in de laagte, dan zou je er zó aan voorbij lopen. Het maaiveld in natuurgebied de Ooijpolder bij Nijmegen is immers een en al hobbeligheid en een deukje meer of minder maakt dan niet uit. Rondom de man vliegen tientallen bijen en wespen, die geregeld wegduiken in de wanden van de kuil.

De man die hier aan het werk is, onder­zoeker Jeroen Helmer van ARK Natuurontwikkeling (een organisatie die werkt aan ‘spontane, autonome natuurgebieden’) pakt een meetlint en meet de grootte van de gaatjes om dan fluitend de kuil uit te stappen. “Nou, die stier is flink bronstig geweest. Mooi, die gierende hormonen. Daar zijn de bijen en wespen blij mee.”

Hij loopt een meter of twintig om opnieuw glimlachend bij een zo te zien net gemaakte kuil stil te staan. “Puik. Alweer een stier met opspelend testosteron. Lang leve de driften. Een urntjeswesp, een grijze zandbij en hier onderin een smaragdgroefbijtje.”

Vrouwtjes dekken

Hij knielt in de kuil, haalt een simpel tuinschepje uit de tas en begint verwoed te graven om uiteindelijk een buis bloot te leggen. De tas gaat open, stukken hout die nog het meest lijken op een werkje gemaakt bij een cursus figuurzagen verschijnen en terwijl hij hiermee begint te ‘bouwen’, komt er een verklaring.

Beeld Monica Wesseling

In natuurlijke kuddes, dat zijn kuddes waarin meerdere stieren leven, bevechten de mannelijke dieren zo rond deze tijd elkaar het recht om vrouwtjes te dekken. Dat gaat met het nodige imponeergedrag gepaard.

De stieren schrapen verwoed met de poten, hakken met de kop in het zand en gooien het losse zand met veel misbaar over zich heen, vermoedelijk vanuit het idee dat ze er zo breder, ruiger en potenter uitzien en aantrekkelijker voor potentiële partners. Door het graven ontstaat een kuil. En omdat de ondergrond zandiger is dan de bovengrond wordt de kuil steeds opnieuw gebruikt.

Poep

“Zand gooit immers lekker. Elke stier heeft zijn eigen kuil gemarkeerd met poep. Door het schrapen en hakken met de kop wordt de kuil steeds dieper en breder. Af en toe gaat zo’n kolos er even lekker in rollen, waardoor de wanden glad ‘gestuct’ worden. En juist die steile wanden zijn ideaal voor graafbijen en -wespen.”

Ondertussen heeft Helmer met de stukken hout een torentje weten te bouwen waarop hij een afstandsmeter monteert. Hij meet diepte en breedte van de kuil: “dertig centimeter dieper en ruim zeventig centimeter breder”. Ook de exacte posities van de gaatjes worden gemeten en genoteerd, net als de soorten insecten die er te zien zijn.

“Een zeer zeldzame schoorsteenwesp”, merkt Helmer op. “Maakt een schoorsteentje, tot één centimeter hoog, bovenop zijn ondergrondse gang om te voorkomen dat er rotzooi in haar nestgang valt. Dat urntjeswespje vliegt zo weer de kuil uit. Komt hier alleen maar bouwmateriaal halen om elders haar nesten mee te maken.”

Klein grut

Aanvankelijk betrof het onderzoek van Helmer niet de kuilinsecten, maar het klein grut dat afkomt op paardendrollen en koeienvlaaien. Paarden en runderen worden bijna altijd behandeld tegen wormen. In de uitwerpselen zitten nog restanten van de geneesmiddelen, wat ten koste gaat van het insectenleven. De grote grazers in de Ooijpolder worden niet ontwormd. Onderzoek daar geeft daarom zicht op de teloorgang elders.

Op een van zijn onderzoeksronden merkte Helmer op dat er in de stierenkuilen een afwijkende vegetatie groeit. “Pionierplanten als Oostenrijkse kers, zeepkruid en late stekelnoot. Vrij bijzondere planten die hun kans pakken in de omgewoelde grond”.

Spieswesp

Die begroeiing maakte hem nieuwsgierig naar de invloed van de stieren op het landschap en dat bracht hem bij de enorme rijkdom aan bijen en wespen. “Ik heb nu zo’n vijftig soorten plus zo’n vijftien parasieten. Zelfs een slurfknoopwesp, een behoorlijk zeldzaam dier. De vondst moet overigens nog wel gevalideerd worden.”

Een spieswesp met een vliegje op haar angel vliegt snel haar holletje in en geeft zo dambordvliegen – parasieten – het nakijken. Hoe dieper de kuil, des te groter de insectenrijkdom, een gevolg van het steeds zandiger worden. De groefbijendoder nestelt verspreid over de wand, de zeefwespen zoals de kleine en de bleke zeefwesp vooral onderin.

Beeld Jeroen Helmer

De stieren houden niet altijd het hele bronstseizoen dezelfde kuil. Ze verlaten ze soms en beginnen elders nieuwe. Ook dat gedrag zorgt voor variatie.

Inmiddels is Helmer bij een derde kuil aangeland, een met een merkwaardige glad gestreken band erin. Die is gemaakt door een paardenhoef, legt hij uit. Paarden houden van de eiwit- en mineralenrijke plantenwortels en graven ze met de poten op. Het dichtsmeren is geen probleem voor de bijen en wespen die erin nestelen, zo blijkt na vijf minuten turen. De wand ‘gaat open’ en bij na bij komt tevoorschijn.

Ontwikkeling van de kuilen

Helmer houdt nu al ongeveer een jaar de kuilen in de gaten. Hij noteert de morfologische ontwikkeling van de kuilen en vooral ook de rijkdom aan insecten, inclusief de manier waarop ze de kuilen gebruiken.

De oogst is groot. Maar het gaat Helmer en ARK Natuurontwikkeling om meer. “De rijkdom bewijst eens te meer dat de bron van biodiversiteit ligt in volwaardige natuurlijke systemen”, zegt Helmer. “Herstel daarvan maakt biodiversiteit duurzaam. Anders blijft het tuinieren. Dus volwaardige kuddes met meerdere stieren in plaats van kuddes met slechts één of zelfs geen enkele stier.”

Het principe geldt hier, maar ook elders, voert Helmer aan. “Grote riviersystemen in plaats van een enkel geultje”, zegt hij, “meanderende beken inclusief hun overstromingsvlakten in plaats van een enkele herstelde bocht.”

Al pratend demonteert de onderzoeker zijn houten bouwsel, stopt de onderdelen in zijn tas en wijst al klauterend nog even op een plant. “Muizenoortje. Echte tredplant.”

Stieren zijn overigens deze ochtend in geen velden of wegen te bekennen. Wel bijen en wespen. Matkop, roodborst en fitis zingen. Een zwaluw scheert over. Eén bijtje is niet meer.

Lees ook: 

De Ooijpolder wordt steeds rijker, omdat boeren en natuurbeschermers samenwerken

Natuurbeschermers en boeren praten over een nationaal deltaplan voor de soortenrijkdom. Dat moet nog helemaal van de grond komen. Maar in de Ooijpolder bij Nijmegen wordt al jaren gesleuteld aan herstel van biodiversiteit. Het werkt.

Op zoek naar planten en dieren in de duinen

Vijfduizend planten- en dierensoorten in de duinen vinden, dat was het doel van soortbeschermers vorig jaar. Maar de teller gaat nu richting de zevenduizend. Al die soorten determineren is monnikenwerk en vaak voer voor superspecialisten. 

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden