InterviewSipke Gonggrijp

Botanische juweeltjes, die vind je gewoon op de camping

Sipke Gonggrijp: ‘Kunstcampings zijn ideaal’.  Beeld Patrick Post
Sipke Gonggrijp: ‘Kunstcampings zijn ideaal’.Beeld Patrick Post

Sipke Gonggrijp is verslingerd aan de camping. Niet speciaal om te kamperen, wél om wat er groeit tussen tentharing en scheerlijn.

Een tropische zomerdag; camping De Lepelaar in St. Maartensvlotbrug in de kop van Noord-Holland. Het is krap negen uur als tientallen campinggasten zich opmaken voor een bakdag op het strand. Behangen met zwembandjes en handdoeken, zeulend met koelboxen, boten en parasols trekt de meute naar het westen. Het terrein oogt ongenaakbaar. Schaduwloos, stoffig en kaal en voer voor mopperaars. De grond is spaarzaam begroeid en kaal daar waar een tent of caravan heeft gestaan.

Op het pad van open beton ligt een man. Uitgestrekt. “Kleine hardbloem en hertshoornweegbree. Hier echte caravanlifters.” Hij staat op, loop een paar stappen, bukt. Een friemel wordt rode schijnspurrie. “Toplocatie, deze camping. Samen met een camping op Kamperland in Zeeland veruit de rijkste. Voer, zeg maar een delicatesse voor floristen.”

Hij is een echte kampeerder, deze Sipke Gonggrijp, maar wel één met vreemde gewoonten. Bezeten van ‘campingfloristiek’, een naam die ontstond omdat bepaalde planten alleen op campings lijken voor te komen. “In Nederland hebben we zeker meer dan vijftig bijzondere soorten gevonden. En dan bekeken we nog slechts een klein deel van de honderden campings.”

Vijf stappen en de neus gaat weer ver beneden de knieën. Gepeuter aan een 3 millimeter grote bloem – ‘rode schijnspurrie’ –, een lichte aai over een verdroogde, gele spriet – duinlangbaardgras. Dan loopt hij op een verlaten caravan af en verdwijnt er tijgerend onder. “Hier ontdekte ik verleden jaar de enige groeiplaats van schijnviltkruid voor Nederland. Ongetwijfeld meegenomen door een vorige kampeerder”, klinkt van onderen.

Kleine hardbloem, camping de Lepelaar mei 2017. Beeld Sipke Gonggrijp
Kleine hardbloem, camping de Lepelaar mei 2017.Beeld Sipke Gonggrijp

Een man – type bodybuilder – kijkt argwanend, maar loopt gelukkig door. Gonggrijp schuift nog wat heen en weer onder de caravan tot hij door heeft dat een serie plantennamen dit merkwaardig gedrag niet normaliseert.

De verklaring volgt. In 2016 vernam de hartstochtelijk botanist dat er op een Belgische camping bij toeval een aantal mediterrane planten was gevonden. Waarop hij in 2017 een kijkje nam op een handjevol Hollandse kustcampings, waar hij al snel twintig soorten verzamelde. Camping na camping werkte hij af, van Ameland tot Cadzand. Zijn wekelijkse twee vrije dagen gingen op aan het bekijken van de planten van ruim 170 campings.

De buit was groot en verslavend. “Kustcampings zijn ideaal. Ze zijn in trek bij Zuid-Europeanen, kennen een groot verloop en hebben ook nog eens een perfecte bodem en ligging.” De Veluwe, Drenthe en Limburg zijn eerder populair bij lokale inwoners.

Naaldzaadbloem, Soliva sessilis, gevonden op  Camping de Lepelaar. Beeld Sipke Gonggrijp,
Naaldzaadbloem, Soliva sessilis, gevonden op Camping de Lepelaar.Beeld Sipke Gonggrijp,

Kampeerders blijken slepers: onbewust nemen ze plantenzaden mee uit de zuidelijke landen. Zeker de soorten met stekelige vruchten of zaden zoals rupsklavers, eenjarige boterbloemen, grassen en soorten uit de composietenfamilie. Deze haken makkelijk vast aan bijvoorbeeld kleding en kleden. “Naast caravans en campers zijn tenten ook ideaal voor de verspreiding. Iedereen veegt immers zijn tent uit voor hij deze begint in te richten. De rommel van de vorige vakantie.”

De zaden vinden een gespreid bed, blijkt uit de uitleg van de West-Fries. Als de kampeerder is vertrokken resteert er een kaal terrein. Geen gazongras en dus geen concurrentie als de Zuid-Europese zaden ontkiemen. Hoger dan enkele centimeters zijn deze zuiderlingen vaak niet, ze zijn daarmee buiten bereik van maaimachines.

Botanist Sipke Gonggrijp bezocht ruim 170 campings, van Ameland tot Cadzand, op zoek naar bijzondere plantensoorten. Beeld Patrick Post
Botanist Sipke Gonggrijp bezocht ruim 170 campings, van Ameland tot Cadzand, op zoek naar bijzondere plantensoorten.Beeld Patrick Post

De kampeerder verkast, een nieuwe verschijnt en de verspreiding loopt als een tierelier. Nederlanders die na een buitenlandse vakantie nog een weekje meepakken; Portugezen die de hitte thuis ontvluchten. Zuidelijke planten, maar kunnen die niet op eigen kracht zijn gekomen? “Nee. Neem bijvoorbeeld strandrupsklaver. Deze komt oorspronkelijk voor langs de gehele mediterrane kust en is hier ontdekt op kustcampings. Buiten deze campings ga je deze soort echt niet aantreffen. Dat geldt ook bijvoorbeeld voor stekelboterbloem. Een soort die vroeger wel eens als verstekeling in Nederland ergens opdook maar nu uitsluitend op campings wordt gevonden.”

Zuiden, zuiden, zuiden. Waarom niet over Noren, Denen, Finnen, Russen gesproken? Slepen die niets mee? Waarschijnlijk wel, legt Gonggrijp uit, maar die planten uit het hoge noorden kunnen hier moeilijker aarden. Het is hier misschien te warm.

null Beeld Patrick Post
Beeld Patrick Post

Geen opdringerige exoten

Het Gonggrijps zoekseizoen blijkt lang. De eerste inventarisatie is al in januari, lang voor de eerste gasten verschijnen, als de zuidelijke planten de winter voor beëindigd verklaren. De campings zijn dan nog dicht, maar de recepties veelal wel bemand. “Niet allemaal en tja, een enkele keer ben ik toch maar gewoon over het hek geklommen”, biecht de campingfanaat op.

Zijn inspanningen blijken van grote waarde. Met onverholen trots: “Ik heb onder andere vier, voor Nederland, nieuwe viltkruiden gevonden. Alle vier inmiddels door Naturalis bevestigd en opgenomen in de nationale plantencollectie.” Gevraagd naar zijn allermooiste vondst? Met een gezicht dat het niet slecht zou doen in een reclame voor de Staatsloterij: “Filago gaditana, een viltkruid met een beperkte verspreiding in Marokko, Spanje en Portugal. Hier gevonden met vier exemplaren op een seizoenplaats.”

Schijnviltkruid op camping de Lepelaar april 2019. Beeld Sipke Gonggrijp
Schijnviltkruid op camping de Lepelaar april 2019.Beeld Sipke Gonggrijp

Vijftig planten uit verre streken. Moeten we daar wel zo blij mee zijn? Zijn dat geen invasieve exoten? Maar nee. Voor bijna alle vijftig geldt dat deze soorten gewoon een verschuiving richting het noorden maken binnen hun Atlantische verspreiding. Nu het steeds warmer wordt zouden ze mogelijk ook zelf op de lange, lange termijn Nederland hebben veroverd.

Geen opdringerige exoten, ‘onschuldig’, op één na: Soliva sessilis ­oftewel naaldzaadbloem, een plant met nog geen paar millimeter grote vruchten, dicht bezet met naalden die tot forse ontstekingen aan handen en voeten kunnen lijden. In Australië kreeg dat zelfs een medische naam; Bindii dermatites.

Filago gaditana, april 2019 Camping de Lepelaar. Beeld Sipke Gonggrijp
Filago gaditana, april 2019 Camping de Lepelaar.Beeld Sipke Gonggrijp

De hobby, zeg maar verslaving van de collectiebeheerder is ook binnen de floristiek van wetenschappelijk belang, verzekert hij. “We moeten weten hoe nieuwe planten hier hun eerste stappen zetten, wat hun herkomst is en of ze schadelijk zijn voor de eigen inheemse flora of zelfs mogelijk voor de volksgezondheid.”

De florist zet koers naar een tent, bewoont door drie enorme honden en twee ijs etende vrouwen op leeftijd. “Mag ik even kijken? Van het voorjaar stond hier een zeldzame plant.” Geen sjoege. “Pflanzen. Besonder. Darf ich?” De vrouwen knikken, Gonggrijp laveert tussen de scheerlijnen, maar helaas, het unieke exemplaar kleine boterbloem dat hij hier eerder aantrof blijkt zaad te hebben gezet en al verdwenen, in afwachting op een nieuwe kans.

Duintop op, duintop af en voor de zoveelste keer klapt zijn rug dubbel. Kan hij aan het eind van de dag nog wel rechtop lopen, zijn vriendin in de ogen kijken? “Ja hoor. Geen probleem. Ik heb een hele kleine vrouw uitgekozen.”

Een Fransman rijdt het terrein op. Het onderzoek naar campingflora is voorlopig afgesloten. Gonggrijp heeft inmiddels een nieuwe verslaving: Onderzoek naar de flora van nieuwe natuurterreinen langs de Grensmaas.

Lees ook:

Wat weet beter hoe die ene plant heet: het boek of de app?

Ga een willekeurig natuurgebied in en je stuit op iemand starend naar zijn smartphone. Er wordt ge-sms’t, geappt, gebeld, gegoogeld en gemapt. En nu ook gedetermineerd.

Hoe houden we de duinen levendig? Met de stuifkuil

Weinig plekken herbergen zoveel verschillende planten en dieren als de duinen. Maar als een duin te snel dichtgroeit, verdwijnt die diversiteit. De stuifkuil biedt uitkomst.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden