Bioloog wil plantensoorten redden, net als Noach

Joop Schaminée (61). Beeld Koen Verheijden

Bioloog Joop Schaminée zet een Nationale Zadencollectie op. Het zijn de eerste voorzichtige stappen in de bescherming van de 'autochtone' plantensoort.

Gehurkt zit Joop Schaminée (61) aan de rand van een akkertje in de schaduw van de Radboud Universiteit in Nijmegen. Vanuit zijn handpalm presenteert de bioloog een op het eerste gezicht triviale gele bloem. Het is de akkerboterbloem. De soort staat op de Rode Lijst, zegt Schaminée. "Dit is een van de meest bedreigde plantensoorten in ons land. Ze komt waarschijnlijk maar op één plek inheems voor, op een akker in Zuid-Limburg."

Door zijn Limburgse tongval klinken de woorden minder streng, maar Schaminée zegt het op plechtige toon. Een verdwijnende soort als deze is voor hem bittere ernst. "Kenmerkend voor de akkerboterbloem zijn de citroengele bloemetjes die stekelige vruchtjes voortbrengen. Kijk eens hoe bijzonder." De bioloog onderbreekt zijn uitleg wanneer een ander exemplaar hem in het oog springt. "Moet je kijken, daar, naar die magnifieke vrucht!"

De opstekende koele wind doet de lentegeur sterk verflauwen. Hier, op een van de vele afgebakende perken van twee bij drie meter, worden bloemen van Nederlands zeldzaamste soorten klaargestoomd voor een volwassen bestaan.

Voortplanten

Het doel? De soorten zich zo veel mogelijk laten voortplanten. Schaminée koestert de hoop op een rijke oogst. De verkregen zaden worden toegevoegd aan de nationale zadencollectie, een onderdeel van het zogenoemde Levend Archief. Dat is een fysieke opslagplaats waar inheemse flora wordt bewaard en geborgd. In Nederland komen zeker 1500 wilde soorten voor. Daarvan zijn volgens Schaminée zeker 70 soorten acuut bedreigd in hun voortbestaan.

Het conserveringsprogramma moet dienen als redmiddel waarop kan worden teruggegrepen als die soorten daadwerkelijk verdwijnen, legt Schaminée uit. "Om de kiemkracht te verzekeren worden de zaadjes gedroogd, vacuüm verpakt en ingevroren. Wij willen ze verzamelen in een genenbank, een genetische collectie van verschillende zaden van inheemse soorten. Een achtervang voor als er op die akker in Zuid-Limburg iets helemaal misgaat, een virus of extreme weersomstandigheden bijvoorbeeld. Eigenlijk is het een beetje als de Ark van Noach." De hoogleraar plantenecologie lacht van genoegen om zijn eigen metafoor.

Zaadhofjes

'Teeltbedjes' noemt hij de kleine akkerpercelen. Ecologisch bureau Natuurbalans, een van de partners van het Levend Archief, richtte de zaadhofjes in. Het is maar een van de vele initiatieven die door de bioloog nu sinds een jaar in gang zijn gezet. Ook elders, op verschillende plekken in Nederland, zijn soortgelijke perceeltjes ingericht. Voor het project kreeg Schaminée opgeteld 20.000 euro van het Prins Bernhard Cultuurfonds. Ook andere botanische tuinen en organisaties als Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten en Nationaal Park De Hoge Veluwe bouwen het Levend Archief mee op.

 De tekst gaat verder onder de afbeelding.

Ecologisch medewerkster Margriet Louwen (36) van bureau Natuurbalans doet in Nijmegen het veldwerk. Beeld Koen Verheijden

De kleinschaligheid waarop het hier plaatsvindt in Nijmegen is illustratief voor de fase waarin het programma zich bevindt: het staat in de kinderschoenen. "Het is een zoektocht", zegt Schaminée. "Dit proces grijpen we aan als een kans om kennis op te doen. Het is maatwerk, voor alle soorten is andere zorg nodig. Sommige soorten hebben een kalkbodem nodig, anderen een vochtige grond. Ook is er nog veel onbekend. Het is bijvoorbeeld zoeken naar de optimale zaaiperiode of de beste manier om de zaden op te slaan."

Ecologisch medewerkster Margriet Louwen (36) van bureau Natuurbalans doet hier in Nijmegen het veldwerk. Onder haar arm heeft ze een lijst. Daarvan kan ze precies aflezen waar welke soort is gehaald. Een driekleurig viooltje? Vers uit het natuurpark Blerickse Heide in Venlo. De bloem met paarse blaadjes staat even verderop in een lichtere kleur te bloeien. Louwen inspecteert haar tabel. "Die komt uit het Overijsselse Deurningen", zegt ze beslist.

Juist de regionale verscheidenheid is belangrijk om te borgen en inventariseren, zegt Louwen. Ze wijst op het harige vruchtje dat zich tussen de blaadjes manifesteert. "In de zaaddoos zitten de zaadjes. Zodra ze rijp is, klapt de drieledige vrucht open. Dan vliegen de zaadjes alle kanten op." Dagelijks houdt Louwen de soorten nauwlettend in de gaten. Uiteindelijk zal ze de zaden oogsten. "Als de vruchten helemaal droog zijn, verzamelen we ze. Sommige bloemen worden geel rijp, andere donkerbruin."

Geduld

Langs de IJssel in Gelderland kreeg Louwen vorige week de vroege ereprijs in het vizier. Een Nederlandse plantensoort in kritieke toestand. "Wellicht een van de laatste in Nederland", vertelt ze. "Met wat geluk zijn er nog enkele tientallen exemplaren van te vinden. Het ene jaar staan er een stuk of vijf, het andere jaar, zoals nu, staan er dertig. De groeiplek moeten we overeind en in stand houden. Daar is geduld voor nodig. We verzamelen een beperkt aantal zaden, waar we dan in de perkjes mee aan de slag gaan."

De tekst gaat verder onder de afbeelding.

Beeld Koen Verheijden

Sinds midden vorige eeuw zijn bijna 500 van de 1500 autochtone plantensoorten in aantal teruggelopen, en meer dan 40 uitgestorven. Bemesting en verzuring door intensivering van landbouw, maar ook de verstedelijking, ze spelen een grote rol in het 'wegpesten', zoals Schaminée het lot van deze inheemse soorten bestempelt.

Op zijn kantoor aan de universiteit speurt hij over zijn dik beglaasde leesbril naar een boek. Eenmaal gevonden slaat hij het exemplaar open op een pagina met een foto van een harige paarse bloem met een veerachtige pluim. "Deze heb ik vorig jaar in Tsjechië nog gezien", zegt Schaminée met enige opwinding. "Wildemanskruid, een prachtige bloem. Die behoorde tot onze inheemse flora, maar is in Nederland volledig uit het landschap verdwenen. Bij ons had die waarschijnlijk iets kleinere bloemen gehad." Ook van de akkerzenegroen, de bosboterbloem en vermoedelijk ook klein slijkgras is geen spoor meer. Mijmerend: "Hadden we maar zaden van de Nederlandse planten, dan konden we hem opnieuw in onze natuur introduceren."

Even later staan we in een verwarmde serre, de Proeftuin die grenst aan het hoofdgebouw van de Nijmeegse universiteit. Hier wordt plantenmateriaal nauwgezet bestudeerd. Bij een koelcel houdt Schaminée halt. Het opschrift 'Genenbank' onthult weinig over de werkelijke inhoud die achter de schuifdeur schuilgaat. "Een voorproefje", glimlacht Schaminée innemend, terwijl hij met een behoorlijke duw de schuifdeur openzet. Met een zeurend geratel vangt de koelventilator onmiddellijk de binnenkomende warmte op. De temperatuur is automatisch vastgesteld op vier graden. "Dit is hoe de zadencollectie er na de oogst, in een later stadium moet uitzien."

Kamertje

In een honderdtal laden in de wand van de muur van de relatief kleine ruimte zitten zeker 3000 zaadsoorten uit de nachtschadefamilie, een groep van bekende cultuurgewassen als tomaten, paprika en aardappelen. "Toen ik dit voor het eerst zag, dacht ik: als dat in zo'n kamertje voor 3000 soorten mogelijk is, moet het voor 1500 Nederlandse soorten ook lukken." De nachtschadezaden moeten in de toekomst zaden van de roggelelie of de akkerboterbloem als buur krijgen. Ook in Wageningen krijgt de zadencollectie een onderkomen.

 De tekst gaat verder onder de afbeelding.

Beeld Koen Verheijden

De functie van de collectie beperkt zich niet alleen tot het voortbestaan van de soorten. De zadensoorten kunnen hun nut ook bewijzen voor zadenmengsels, die worden aangeboden door kwekers. Voor het aankleden van openbare ruimtes in de stad, wegbermen, maar ook akkerranden en slootkanten. Om het tekort aan bloemen te compenseren worden nu nog vaak planten uitgezaaid en struiken en bomen geplant. Daar gaat het mis, zegt Schaminée. "Bij het beplanten en uitzaaien wordt doorgaans gebruik gemaakt van soorten van uitheemse oorsprong. De gevolgen zijn subtiel, maar daarom niet minder belangrijk. Want het is ander genetisch materiaal, dat hier van nature niet voorkomt en waaraan de omgeving niet is aangepast."

"We kunnen onze eigen biodiversiteit niet opnieuw bedienen door dezelfde soorten uit het buitenland te halen", vervolgt de bioloog zijn betoog. "Sommige van die soorten bloeien eerder door hun zuidelijke oorsprong. Insectenfauna is daar niet op aangepast. Zo hebben veel sleedoorns die worden geplant een ander bloeipatroon, een andere fenologie. Vaak blijken uitgezaaide kruiden niet te leveren wat ze zouden moeten. Ze geven minder nectar, of de kwaliteit van het stuifmeel is minder goed. Soorten met een uitheemse herkomst kunnen een net wat andere bouw hebben: de vrucht zit meer verborgen, waardoor insecten er moeilijker bij kunnen. Dat brengt ook de fauna in gevaar. En veel van die gevolgen zijn onbekend. Het eigen materiaal dat in de loop van decennia, zelfs eeuwen is ontstaan en bij ons landschap hoort, dát moeten we overeind houden."

Ja, er is het biologische verhaal. Maar het verdwijnen van soorten vindt de Limburgse hoogleraar ook een triest verhaal. Voor hem is het een ethische kwestie: alle organismen hebben bestaansrecht op aarde. Schaminée ziet het als 'rentmeesterschap': "Het is de morele plicht van de mens om andere organismen een plek te geven en daar zorg voor te dragen."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden