Jelle's WeekdierLederschildpad

Behoorlijk groot bezoek in de Oosterschelde

Enkele jaren geleden werd er voor de kust van Terneuzen in de Westerschelde een groot en plat stuk fossiel bot opgevist. De vondst kwam uit een geul waar door vissers met hun sleepnetten wel vaker fossiele botten worden opgevist, meestal resten van uitgestorven walvissen. De platte beenplaat bleek een deel van het rugpantser van een lederschildpad te zijn; hoewel het fragment slechts 51 bij 43 centimeter groot was, moet het afkomstig zijn van een dier met een pantserlengte van minstens anderhalve meter. Het was voor het eerst dat er een fossiele zeeschildpad in Nederland was gevonden. De soort, ­Psephophorus polygonus geheten, was al wel uit Oostenrijk, Denemarken en de Verenigde Staten bekend, maar was hier nog nooit aangetroffen. De schildpad leefde tijdens het Mioceen, het fossiel is tussen 8 en 11 miljoen jaar oud; het is dus lang geleden dat het dier in de Noordzee rondzwom.

Nu is er weer een aangetroffen en dit keer is dat geen fossiel maar een levend exemplaar. Als een incarnatie van de Zeeuwse wapenspreuk Luctor et emergo – ik worstel en kom boven – zwom er zomaar een echte lederschildpad in de Oosterschelde rond, de kop boven de golven, alsof hij uit het verre Mioceen tot ons is gekomen. Het is uiteraard een andere soort; er bestaat ­tegenwoordig nog maar één soort lederschildpad, Dermochelys coriacea.

Schildpadden zijn zeer eigenaardige dieren, met hun pantser dat het hele lijf als een middeleeuws harnas omsluit. Bij alle schildpadden ­bestaat het pantser uit een laag grote platte beenplaten met daaroverheen een laag grote platte platen van hoorn.

Die anatomie vinden we bij zowel de landschildpadden als de zeeschildpadden, maar er is één uitzondering: de ­lederschildpad. Diens ­benen pantser bestaat uit een enorme hoeveelheid kleine botjes met een maat die het midden houdt tussen een dobbelsteen en een damschijf, maar dan vijf- of zes­hoekig van vorm. Daarvan zitten er duizenden stevig tegen elkaar; het lijkt een beetje op het craquelé van gebarsten pantserglas of de barsten in uitgedroogde modder. Over dat benen pantser zitten geen hoornplaten maar een huid, een leerachtige huid, vandaar de naam lederschildpad. De geslachtsnaam Dermochelys betekent trouwens ook letterlijk ‘huidschild’.

Die ene soort komt wereldwijd voor, vooral in de warmere wateren en dus kun je in alle oceanen lederschildpadden aantreffen. Het zijn, op enkele grote krokodillen na, de grootste nog ­levende ­reptielen. Ze kunnen een lengte van wel 2,5 meter halen en wegen gemiddeld 600 ­kilo; zwaardere exemplaren zijn waargenomen.

Het record staat op naam van een schildpad die 2,74 meter lang was ­(inclusief de kop) en 914 kilo woog.

Een ander apart kenmerk is dat ze, hoewel ­reptielen tot de koud­bloedige dieren ­behoren, dankzij hun omvang toch een hogere ­lichaamstemperatuur kunnen handhaven. Als voedsel dienen voornamelijk kwallen en af en toe een inktvis. Dat heeft het nadeel dat ook in zee zwevende plastic zakken als voedsel worden herkend en verorberd, met soms fatale ­gevolgen.

Hun eieren leggen ze net als andere zeeschildpadden op zandstranden. De kans dat dat ook in Zeeland gaat gebeuren, lijkt me echter nihil.

Jelle Reumer is paleontoloog. Voor Trouw bespreekt hij iedere week een dier dat het nieuws haalt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden