Jelle Reumer over dagvlinders, zoals deze argusvlinder.

Dagvlinder

Als we niet oppassen, zijn de dagen van de dagvlinder geteld

Vlinders, insecten van de orde der schubvleugeligen, komen in twee uitvoeringen, die meestal worden aangeduid met de termen dagvlinders en nachtvlinders. Die woorden zijn niet geheel onterecht gekozen; de meeste (maar niet alle) dagvlinders vliegen overdag, de meeste nachtvlinders (maar niet alle) ’s nachts. In het Engels heten ze respectievelijk butterflies en moths, wat een duidelijker onderscheid biedt. Het handigst kun je ze onderscheiden aan de sprieten, die bij dagvlinders een gesteeld knotsje vormen en bij nachtvlinders meestal veervormig zijn, en aan de manier waarop ze in rust de vleugeltjes opvouwen. Dagvlinders klappen ze samen als een dichtgeslagen boek waardoor de bovenkanten onzichtbaar worden, nachtvlinders leggen ze plat over hun rug.

Tot zover het leuke. Want er is ook minder leuk nieuws: het gaat slecht met onze dagvlinders. De Vlinderstichting heeft daarover gerapporteerd. Tegelijkertijd publiceerde een internationale groep biologen in Nature een herstelplan voor insecten in het algemeen. Het is allemaal niet echt nieuws, we weten al jaren dat het met de biodiversiteit in het algemeen en met de insecten in het bijzonder hard achteruitgaat.

Aaibare en minder aaibare

Nu zijn er natuurlijk insecten en insecten, aaibare (in figuurlijke zin) en minder aaibare; tot die laatste categorie horen steekmuggen, vlooien, schaamluizen en kakkerlakken – soorten waarom weinigen een traan zullen laten. Anders zit dat bij de lieveheersbeestjes, de bijen, de libellen en de vlinders. Daar wordt sneller om getreurd – een gegeven dat biologisch nergens op slaat, maar voor de pr wel interessant is.

De afgelopen tien jaar zijn twee van de drie vlindersoorten in aantal achteruitgegaan. We hebben in ons land meerdere vlindersoorten waar nog maar een of enkele kleine populaties van bestaan. Eén soort, de grote vuurvlinder (Lycaena dispar batava), is zelfs uitsluitend hier te vinden, en hoewel de aantallen iets zijn toegenomen, is de situatie zorgwekkend. Grote vuurvlinders komen nog voor in drie laagveengebiedjes in het noordoosten van ons land: de Weerribben, de Wieden en de Rottige Meente. Ze lijden aan verdroging van hun leefmilieu, die een gevolg is van de landbouw en van de extreem droge zomers van de laatste jaren (lees: de klimaatverandering). Van het pimpernelblauwtje leeft nog maar één populatie bij Den Bosch en de kleine heivlinder komt alleen nog voor bij Kootwijk. Droevig.

De agro-industrie blijft een belangrijke factor

Er zijn ook nieuwkomers. Het kaasjeskruiddikkopje en het staartblauwtje kwamen tot voor kort niet noordelijker voor dan in Frankrijk, maar zijn door de opwarming ook in ons land gearriveerd. Dat compenseert echter niet de algehele achteruitgang, die naast klimaatverandering, extreem weer en verdroging ook het gevolg is van pesticidengebruik, landschapsvernietiging en stikstofneerslag. Zonder weer meteen naar de boeren te willen wijzen, blijft de grootschalige agro-industrie wel een belangrijke factor in het verhaal. De groep wetenschappers komt in Nature met een plan voor insectenherstel, met korte- en langetermijndoelen, gekoppeld aan een monitoringssyteem om resultaten te kunnen evalueren. Alles hangt af van de bereidheid van diverse partijen om over hun eigen schaduw heen te stappen. Anders wordt het echt ‘dag vlinders’ met de dagvlinders.

Jelle Reumer is paleontoloog. Voor Trouw bespreekt hij iedere week een dier dat het nieuws haalt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden