WeekdierPinguinus impennis

Al wat rest van de reuzenalk zijn 78 opgezette dieren en 75 uitgeblazen eieren

Het was tijdens de mistige ochtend van 3 juni 1844, nu bijna twee eeuwen geleden, dat drie IJslanders vanuit hun roeiboot op het rotseilandje Eldey aan land stapten. Te midden van een krijsende werveling van opvliegende meeuwen en andere zeevogels, bleven twee grote dieren staan. 

Toen de mannen naderden, probeerden ze zich uit de voeten te maken – vliegen konden de vogels niet. De mannen waren sneller, knuppelden de vogels neer en draaiden ze de nek om, om ze daarna mee te nemen naar de boot. Naar verluidt waren deze onfortuinlijke dieren de allerlaatste exemplaren van de reuzenalk, Pinguinus impennis – de pinguïn van het noorden. Het zou kunnen dat toen zich dit drama voltrok, er ergens anders rond IJsland of voor de kust van Canada nog een eenzaam exemplaar leefde, maar dat heeft in elk geval niet geleid tot het voortbestaan van de soort.

Al wat rest zijn 78 opgezette dieren en 75 uitgeblazen eieren in musea over de gehele wereld, plus een aantal skeletten. Dat is meer dan er van de ­dodo is overgebleven, maar die leefde dan ook ­verder verwijderd van wat destijds de beschaafde ­wereld was en was bovendien al eerder van de aardbodem weggevaagd. Wat ook rest, is een van de mooiste vogelboeken ooit gepubliceerd: ‘The Great Auk’, van Errol Fuller, een trieste ode aan een mooie vogel én een testimonium van menselijke vernietigingsdrang.

De alkenfamilie (Alcidae), die 24 soorten omvat waaronder de zeekoet en de papegaaiduiker, nam na het uitsterven van de familie der Plotopteridae (waarover ik vorige week schreef) op het noordelijk halfrond hun ecologische niche over. Het gaat om vogels die hun vliegvermogen aan het kwijtraken zijn of het al grotendeels kwijt zijn en die zich specialiseren in onder water ‘vliegen’ op jacht naar vis. Op het zuidelijk halfrond doen de pinguïns dat. Maar wat is nou een echte pinguïn? Om de taalkundige verwarring groter te maken is de wetenschappelijke naam van de reuzenalk Pinguinus impennis. Die naam komt niet uit de lucht vallen, de dieren werden al vanouds zo genoemd. Het gebeurde wel vaker dat de Latijnse naamgeving een oude en oorspronkelijke Europese naam benutte. Eigenlijk is de reuzenalk dus de originele pinguïn, waarnaar de ‘echte’ pinguïns in tweede instantie zijn vernoemd.

Lang werd gedacht dat reuzenalken alleen voorkwamen op de kale rotsen van IJsland, Groenland, eilanden voor de Canadese kust (waaronder North en South Penguin Island), St. Kilda en andere ­ onherbergzame oorden. Maar nu is gebleken dat de dieren ook hier voorkwamen, als wintergast in de zandige Noordzee. 

De Rotterdamse paleontoloog Bram Langeveld beschreef in het tijdschrift Ardea de vondst van maar liefst 91 reuzenalkbotjes: opperarmbeentjes, ravenbekssleutelbeenderen, ­ellepijpjes en enkele wervels. Ze zijn gevonden door de vele verzamelaars die de stranden van onze kust afstruinen op zoek naar fossielen uit de laatste ijstijd en de warmere periode erna, voornamelijk van mammoeten, maar dus ook van vogels. Uit het onderzoek bleek dat de reuzenalk in onze contreien een algemeen voorkomende wintergast was. Broeden konden ze hier niet, bij gebrek aan kale rotsen, maar wel vis eten.

Jelle Reumer is paleontoloog. Iedere week bespreekt hij een dier dat die week in het nieuws is. 

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden