null Beeld Ilse van Kraaij
Beeld Ilse van Kraaij

Werk

Waarom mensen in de bijstand nog altijd moeilijk aan het werk komen

Het grootste deel van de mensen in de Participatiewet kan niet werken: nu niet en in de toekomst vermoedelijk ook niet, concludeert de Arbeidsinspectie.

Daan Marselis

De Participatiewet moest mensen helpen om naar vermogen te werken. Maar de praktijk pakt heel anders uit. Een meerderheid van de mensen kan helemaal niet werken, concludeert de Arbeidsinspectie na een enquête onder bijstandsgerechtigden en medewerkers van gemeenten.

Gemeenten slagen er bovendien onvoldoende in om bijstandsgerechtigen te begeleiden bij de zoektocht naar werk: zeker een derde van de mensen krijgt niet de hulp die nodig is. Wat verder opvalt, is de ongelijkheid: mensen met niet-westerse migratieachtergrond en vrouwen krijgen minder begeleiding van de gemeente dan mensen die geboren zijn in een ander westers land en mannen.

Mensen die om hulp vragen, worden vaker geholpen dan mensen die hulp waarschijnlijk het hardste nodig hebben. Het ‘piepsysteem’ noemen ambtenaren dat. Jong krijgt meer hulp dan oud en hetzelfde geldt voor inwoners van grote gemeenten versus die in kleinere gemeenten.

Gemeenten zijn gevoelig voor financiële prikkels

Belangrijke oorzaak is de manier waarop gemeenten betaald worden. Zij krijgen gemiddeld 1500 euro om een ‘klant’ naar werk te begeleiden, zegt de Dordrechtse wethouder Peter Heijkoop. Voorheen was dit 4500 euro.

Bovendien is er een financiële prikkel om zo veel mogelijk mensen uit een uitkering te krijgen. Voor uitkeringen krijgen ze een vast bedrag: als ze dat overschrijden, moeten ze bijbetalen, als ze overhouden kunnen ze het houden. En dus zijn gemeenten vooral mensen naar werk gaan begeleiden die een grotere kans hebben op de arbeidsmarkt: mannen en westerse migranten. Niet-westerse migranten zijn moeilijker te plaatsen, vanwege taalproblemen. Vrouwen met kinderen worden meestal ‘met rust gelaten’, omdat werk tot onzekerheid kan leiden met de toeslagen, door eventuele terugvordering van te veel ontvangen bedragen.

De Participatiewet is het laatste vangnet. Ontvangers hebben geen recht (meer) op een Wia-, WW- of Wajong-uitkering en ze hebben ook geen partner die werkt. Mensen in de Participatiewet hebben een groot aantal plichten, bijvoorbeeld om aangeboden werk te accepteren. Aan gemeenten de taak om werk te vinden, liefst bij reguliere werkgevers. Om dat aantrekkelijk te maken, kunnen werkgevers een lager loon betalen. De gemeente vult dat dan aan tot minimumniveau. Zo zijn mensen met een arbeidshandicap goedkoper voor werkgevers. Ook kan de gemeente begeleiding of aanpassingen van de werkplek bieden.

Minder ‘onzinbaantjes’ in een beschermde omgeving

Dat ‘klantmanagers’ van gemeenten er onvoldoende in slagen om mensen te plaatsen, heeft meerdere oorzaken. In de eerste plaats de werkdruk; sommige ambtenaren begeleiden wel tweehonderd mensen. Ze zijn daarnaast veel tijd kwijt aan administratie, om te bewijzen dat uitgaven ‘rechtmatig’ zijn.

Ook vallen veel mensen tussen wal en schip. Met de introductie van de Participatiewet werd gekozen voor afbouw van de sociale werkplaatsen. Zo zouden meer mensen aan de slag moeten gaan bij reguliere werkgevers. Oftewel: minder ‘onzinbaantjes’ in een beschermde omgeving. Werkgevers zouden hiervoor werkplekken creëren, via de ‘banenafspraak’ en ‘beschut werk’. Die banen zijn er echter onvoldoende, merken klantmanagers.

Peter van Leeuwen, ambtelijk secretaris van de Landelijke Cliëntenraad (LCR), herkent de bevindingen van het rapport. “Veel mensen in de Participatiewet zitten onnodig thuis, terwijl zij wel graag willen werken en meedoen.”

Dat gemeenten er niet in slagen om die mensen bij een baas te plaatsen, komt volgens hem omdat bij gemeenten de juiste expertise ontbreekt en omdat het veel geld kost. “Een deel van deze mensen zal ook met werk nog aanspraak maken op een uitkering. Daarnaast moet de gemeente dan de loonkostensubsidie en voorzieningen zoals aanpassing van de werkplek, vervoer of begeleiding betalen. Dat vinden ze gewoon te duur.” Van Leeuwen zou daarom graag zien dat jongeren weer kunnen instromen in de Wajong, en dat bijvoorbeeld sociale werkplaatsen weer worden gestimuleerd.

Een op de vijf bijstandsgerechtigden heeft schulden

De Arbeidsinspectie keek ook naar andere regelingen, zoals de Wia en de WW, die via het UWV lopen. Al die regelingen samen moeten mensen zo veel mogelijk laten werken en hen tegelijk tegen armoede beschermen. Maar dat komt onvoldoende uit de verf. “Er zijn veel mensen die wel iets zouden kunnen doen, maar die om allerlei redenen niet aan het werk komen”, zegt hoofdonderzoeker Hubert Zuurbier. Tegelijk slaagt het stelsel er onvoldoende in mensen tegen armoede te beschermen. Een op de vijf bijstandsgerechtigden zegt schulden te hebben. De helft van hen heeft een betalingsachterstand bij woningbouwvereniging, zorgverzekeraar of energiebedrijf.

Ministers Karien van Gennip (sociale zaken) en Carola Schouten (armoedebeleid) spreken in een Kamerbrief hun teleurstelling uit dat het stelsel onvoldoende tegen armoede beschermt. Daarna leggen ze uit welke maatregelen allemaal al genomen zijn, waaronder het verhogen van de uitkeringen met 10 procent.

Dat maar zo weinig uitkeringsgerechtigden hulp krijgen bij de zoektocht naar werk ‘betreuren’ beide ministers. Van Gennip ziet in grotere arbeidsparticipatie van bijstandsgerechtigden een oplossing voor het personeelstekort.

Lees ook:

Zelfs als het geld oplevert, gaan weinig mensen met een uitkering aan het werk

In Tilburg heeft de zogeheten bijverdienpremie er niet voor gezorgd dat er meer mensen vanuit de bijstand parttime zijn gaan werken.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden