Bruinvis in de Oosterschelde.

ReportageOosterschelde

Vier littekens? Dat moet L045R038 zijn! Onderzoeker Frank Zanderink weet precies hoe hij bruinvissen kan herkennen

Bruinvis in de Oosterschelde.Beeld Nico van Kappel/Buitenbeeld

Bruinvissen, bedreigd door visserij en de bouw van windmolens op zee, zijn een dankbaar onderwerp van onderzoek. Maar hoe herken je ze eigenlijk?

Monica Wesseling

Normaliter gaat bruinvisonderzoeker Frank Zanderink van de Stichting Rugvin, een organisatie die walvisachtigen monitort en onderzoekt, met een lage rubberboot de Oosterschelde op. Maar vandaag zijn we opgestapt op de MS Onrust, die met een groep toeristen een toeristische natuurtocht maakt vanuit de haven van Burghsluis. Niet dat van de toeristen storing of inmenging te vrezen valt want lekker keuvelen en hopen op zeehonden staat bij hen centraal. “Kijk! Daar! Daar zwemt er een. O nee. Aalscholver. Ook zwart.”

Zo niet bij Zanderink. Met fototoestel, gps-apparaat en logboek paraat is zijn blik slechts gericht op de wijde Oosterschelde voor ons. De zeearm is adembenemend. Het water kantelt van azuurblauw naar groen, grijs, bruin, indigo naar zeeblauw. De lucht is mooier dan ooit bezongen, de geur kruidig en zilt.

Ze doen letterlijk heel even één oog dicht

In de Oosterschelde leven 50 tot 60 bruinvissen, slechts een fractie van de populatie in het Hollandse deel van de Noordzee van ca. 80.000 dieren. Toch is de Oosterschelde een goed en makkelijker onderzoekswater. De wind waait er 2 beaufort, oftewel meerdere knopen minder hard dan op de Noordzee waardoor de golven minder hoog zijn en de bruinvissen beter zichtbaar. “Je kunt dus veel beter volgen wat ze aan het doen zijn en waar ze zijn: precies waar het ons om gaat. Doen ze heel even letterlijk één oog dicht (de dieren slapen hemisferisch, de hersenhelften om beurten, red.), jagen, zogen of paren ze of zijn ze op doortrek?” Ook fotograferen, bedoeld om te identificeren, is slechts bij kalm water mogelijk.

De bruinvisman onderbreekt zichzelf en maant op te letten. We naderen een overgang van een diepte naar een ondiepte en daarmee een hotspot voor vissen en dus voor de gezochte zeezoogdieren. Ik tuur en speur maar heb eigenlijk geen idee waarnaar. Hoe ziet een bruinvis in het water eruit? “Kijk naar een afwijking van het wateroppervlak. Een donkere rug of als je geluk hebt een vin die boven water uitsteekt. Als ze op vissen jagen, komen ze een aantal keer, steeds enkele tientallen meters verder even boven.” Geen rug of vin; de vissen zijn hier veilig, geen zeezoogdier te zien.

Aan boord van de MS Onrust. Beeld Arie Kievit
Aan boord van de MS Onrust.Beeld Arie Kievit

De boot vaart ondertussen langzaam door tot de ‘omroepster’ een zandplaat met zeehonden aankondigt en een meute zich op het dek verzamelt. Zanderink blijft stug de andere kant uitkijken. “Bruinvissen liggen nooit op een zandplaat te luieren. Daarvoor hoeven we geen onderzoek te doen.”

Voor de andere gedragingen wel. Meer weten over het leven van de Phocoena phocoena is noodzakelijk om ze beter te kunnen beschermen. Want ondanks fikse toename van de Noordzeepopulatie staat de bruinvis nog steeds op de Rode Lijst, constateert Zanderink “En de bedreigingen nemen weer almaar toe. De Noordzee verwordt van natuurgebied tot wingewest. Vervuiling, visserij, scheepvaart, windmolens; noem maar op.”

Om bruinvissen, dieren in het algemeen, beter te ‘leren kennen en doorgronden’ is het nodig ze individueel te herkennen. Vogels kun je een ringetje omdoen, boommarters met een sporenbak en cameravallen, vleermuizen zenderen, maar hoe herken je een bruinvis? Met een chip of zender injecteren of ‘behangen’ is voor de Stichting Rugvin niet meteen de eerste optie en dus bedacht de club zelf een voor bruinvissen unieke methode voor identificatie op grond van uiterlijke kenmerken.

Littekens, goed zichtbaar op de foto’s

De vin is belangrijk bij de identificatie, vervolgt hij. Sommige hebben een driehoek, andere een soort boog naar achteren en weer andere eentje met littekens . Ook de kleuren van de flanken spelen een rol, en dan vooral de lichte pigmentvlekken. “Maar het allerbelangrijkste determinatiekenmerk zijn toch wel de littekens, goed zichtbaar op onze foto’s. Aardig wat littekens zijn veroorzaakt door grijze zeehonden. Die ogen onschuldig maar zijn ondertussen wél de grootste roofdieren van ons land en versmaden ook een hap bruinvis niet. Met hun klauwen en vlijmscherpe hoektanden maken ze lange, diepe krassen. Kenmerkend.”

Hij haalt een boekwerkje tevoorschijn vol met foto’s van bruinvisflanken met littekens en beschadigde vinnen. Verderop in het boekje een reeks tekeningen van vinvormen en foto’s van flanken met pigmentvlekken. Drie kenmerken op grond waarvan een gespotte bruinvis kan worden geïdentificeerd en waarvan de gedragingen dus kunnen worden vastgelegd.

Avontuurlijk, dat varen met zo’n spannende lage boot, weer en wind trotserend, maar vooral noodzakelijk, voert Zanderink aan. De bedreigingen zijn groot en talrijk. Onderzoek leidt tot aanbevelingen, onder meer aan het ministerie van landbouw, natuur en voedselkwaliteit. Over de visserij bijvoorbeeld die naar de mening van Stichting Rugvin in de Noordzee nog steeds veel te omvangrijk is.

Een heel dunne speklaag

“Een bruinvis heeft een heel dunne speklaag en kan hoogstens drie dagen zonder eten. Hij moet het bovendien hebben van vette vis zoals haring, sprot en spiering en juist die is ook in trek bij de mens. Er wordt dan wel gezegd dat de belangrijkste prooivis, de haring, het goed doet en dat de visserij al flink is verminderd, maar dat is natuurlijk lariekoek. Het aantal haringen en andere commercieel gevangen vis is echt nog steeds maar een fractie van het aantal dat een eeuw geleden leefde in de Noordzee.

Frank Zanderink, directeur en mede-oprichter van de Stichting Rugvin. Beeld Arie Kievit
Frank Zanderink, directeur en mede-oprichter van de Stichting Rugvin.Beeld Arie Kievit

Weer wordt vertellen even ondergeschikt aan turen, opnieuw lijkt er iets donkers aan de einder te drijven. Lijken wordt blijken; het is slechts een lichtval en Zanderink pakt zijn relaas weer op.

De visserij bedreigt, maar zeker ook de aanleg van windmolenparken. Niet dat een windmolen op zich nadelig is. Op het harde substraat, de basis van de molen, hechten schelpdieren die vervolgens vissen trekken. Vis genoeg, ook al omdat er tussen windmolens niet mag worden gevist.

Jagen met behulp van echolocatie

“Gedurende de aanleg van zo’n park ondervinden bruinvissen echter wel hinder van het geluid dat die bouw onderwater veroorzaakt. Bruinvissen navigeren en jagen met behulp van echolocatie en worden toch al verstoord door het toenemende lawaai op zee. Zeker als er meerdere molenparken tegelijkertijd worden gebouwd raken de dieren – zeg maar – op drift. Zanderink raadt dan ook in de tijd gespreide aanleg aan en onderzoek naar alternatieve aanleg van windparken.” Adviezen ook voor het instellen van beschermde zeereservaten.

Het nut is duidelijk, nu nog een bruinvis. Een half uur verstrijkt en twijfels dreigen. Maar dan, als geregisseerd, verschijnen vlakbij ons een vin en rug boven water om een paar tellen later weer te verdwijnen. “Rugvin met golvende achterzijde, vier diepe littekens over de rug heen. Moet bruinvis L045R038 zijn.” Een bruinvis, een heuse. Dus toch.

Lees ook:

Voor de bruinvis, het verlegen neefje van de dolfijn, dreigt in elke hoek gevaar

Jaarlijks spoelen honderden bruinvissen op het Nederlandse strand aan. Treurig, maar voor Lonneke IJsseldijk biedt dit ook kansen om het schuwe dier te onderzoeken.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden