Bloemen van de kruidachtige plant Coreopsis (meisjesogen).

Bloemen en bijen

Hoe kiest een bij een bloem om op neer te strijken? ‘Ze zien kleuren en contrasten die wij niet zien’

Bloemen van de kruidachtige plant Coreopsis (meisjesogen).Beeld Craig Burrows

Bloemen die al hun zichtbare en verborgen charmes in de strijd gooien, bijen en hommels die perfect op hun lokroep zijn afgesteld: in de loop van miljoenen jaren ontstond een perfect samenspel tussen plant en dier. ‘Ze vliegen zichzelf helemaal dood.’

Wybo Algra

Wat voorafging: de jonge vrouwtjesbij stak in het prille voorjaar haar neus naar buiten en zag daar een komen en gaan van mannetjesbijen, een week eerder uit het nest gekropen en nu op zoek naar een maagdelijk beestje als zij. Zo zou het ­gegaan kunnen zijn, bij de metselbij bijvoorbeeld; er zijn zo’n 350 soorten wilde bijen, die onderling nogal kunnen verschillen in hun gewoonten en paringsgedrag. Hoe het ook ging, ze raakte bevrucht, ze moest een nestje maken in het bijenhotel.

Denk daarbij niet aan de strak geleide structuur van honingbijen onder het ijzeren regime van de koningin. Wilde bijen moeten het doorgaans zelf rooien. Hun bijenhotel bestaat uit individuele kamertjes, dicht bij elkaar of wat verder uiteen gelegen, zelf ­gegraven, in de grond, een stuk dood hout, een holle stengel.

Volgende taak: eiwitrijk stuifmeel verzamelen voor de larfjes als die straks uit hun eitje kruipen. Elk larfje zijn eigen bedje van stuifmeel. Sommige larfjes zijn niet zo kieskeurig, andere blieven alleen het stuifmeel van een kleine selectie bloemen. Maar hoe vind je die?

Een anemoon. Wat bijen lekker vinden ruiken, wisselt nogal per soort. Beeld Craig Burrows
Een anemoon. Wat bijen lekker vinden ruiken, wisselt nogal per soort.Beeld Craig Burrows

Take-off

De actieradius van de wilde bij is doorgaans niet al te groot, zegt Sonne Copijn van de Bee Foundation: 200, 250 meter, een halve kilometer misschien. Als het goed is, is er binnen die actieradius voldoende voedsel te vinden, waarmee we meteen zijn aangeland bij de kern van het wildebijenprobleem, want dat voedsel is er lang niet overal, met als gevolg dat een flink deel van de wilde bijensoorten geldt als bedreigd. Terwijl de wilde bij, hoe specifiek soms ook in haar voorkeuren, geen heel exclusieve smaak heeft. Zo trekt de paardenbloem meer dan honderd bijensoorten, maar ook die moet je door de terreur van maaimachine en schoffel soms met een lampje zoeken.

Snel de lucht in dus. Daarbij gaat de vrouwtjesbij haar neus achterna, die bij haar de vorm aanneemt van haar twee voelsprieten. “Ze kunnen slecht zien en heel goed ruiken”, zegt Koos Biesmeijer, hoogleraar ­natuurlijk kapitaal in Leiden, wetenschappelijk directeur van Naturalis en bijenexpert. Neemt niet weg dat de bij ook haar ogen gebruikt om, al rondvliegend, kleurrijke plekken te spotten die er veelbelovend uitzien. Al zigzaggend koerst ze op haar doel af. Waarom niet recht eropaf? “Bijen ruiken in stereo met die beide voelsprieten, de geurpluim volgend en voortdurend bijsturend”, verklaart Biesmeijer.

Wat ze lekker vinden ruiken, wisselt nogal per soort en overlapt niet helemaal met de smaak van de tuinier. Zo’n geurige boerenjasmijn of sering negeren bijen doorgaans straal, weet Copijn; kamperfoelie interesseert ze dan weer wel. De dovenetel daarentegen is voor mensen nauwelijks te ruiken, maar trekt met zijn subtiele geur desondanks veel bijen. Een door mensen gekweekte roos vol bloemblaadjes zullen ze links laten liggen, hoe lekker die ook ruikt; liever een enkelbladige hondsroos.

De perfecte afstemming tussen plant en bij is in de loop van miljoenen jaren ontstaan, zegt Copijn, en als je dat weet kun je ook wel verzinnen dat bijen niet zitten te wachten op exotische plantensoorten of doorgekweekte bloemen.

Hoe belangrijk geur voor bijen is, bleek pas nog uit wetenschappelijk onderzoek van ­Britse wetenschappers die de lucht op een paar testvelden twee zomers lang vulden met dieseluitlaatgassen en ozon en dat op andere velden juist niet deden: de bloemen op de ­vervuilde velden trokken aanmerkelijk minder bezoek van bijen en andere insecten, ­omdat de vieze luchtjes de bloemengeur verhulden.

De fotograaf

Craig Burrows (1989) woont en werkt in het zuiden van Californië. Met een speciale techniek in een verduisterde ruimte, belicht hij heel gewone bloemen met voor mensen onzichtbaar ultraviolet licht. Mede door de lange sluitertijd lichten ze fluorescerend op en zo ontstaan deze bloemportretten.

De IJslandse klaproos, Papaver nudicaule. Beeld Craig Burrows
De IJslandse klaproos, Papaver nudicaule.Beeld Craig Burrows

Prepare for landing

De wilde bij is nu al dicht bij haar bestemming. Vanaf een meter afstand neemt ze waarschijnlijk nog niet meer dan een wazige vlek waar. Een gele misschien, of een blauw-paarsige. In elk geval geen rode, want die kleur kan ze niet zien: zo’n felrode klaproos, die desondanks veel bijen trekt, is voor haar een zwarte vlek.

Hoe dichterbij ze komt, hoe meer details ze onderscheidt dankzij haar facetogen met duizenden kleine lensjes. Die helpen haar om al bewegend toch een scherp beeld te krijgen. Bij mensen wordt het in volle vlucht al gauw streperig.

Nu ze zo dichtbij is, krijgt ze ook profijt van haar vermogen om ultraviolet licht te zien. Daardoor openbaren zich de voor de mens onzichtbare honingmerken op de bloemblaadjes. Dat zijn vlekken of strepen, soms uitbundig, soms ingetogener, maar met een duidelijke boodschap voor de bezoekster: hier moet u wezen. Copijn vergelijkt de honingmerken graag met de lichtsignalen en strepen op de landingsbanen van Schiphol, die vanuit de cockpit steeds beter zichtbaar worden. De boterbloem, redelijk egaal geel voor het mensenoog, ziet er voor de bij heel anders uit, schetst Biesmeijer: stralend geel buitenom, binnenin veel minder stralend, en steeds donkerder richting het hart.

De sprookjesachtige beelden op deze pagina’s van fotograaf Craig Burrows zijn genomen door een bombardement van uv-licht op de bloem af te ­vuren, die daardoor fluorescerend oplicht. Dat is weer iets anders dan het gewoon waarnemen van ultraviolet, de foto’s zijn niet vergelijkbaar met wat de bij ziet. Maar ze ­geven, zegt Biesmeijer, een ­‘supergave’ ­indruk van de rijkdom aan ­kleuren en contrasten die wij niet zien, maar bijen wel.

Phacelia, ook wel bijenbrood genoemd.  Beeld Craig Burrows
Phacelia, ook wel bijenbrood genoemd.Beeld Craig Burrows

Bestemming bereikt

Is de bij eenmaal aangeland in het hart van de bloem, dan hoeft ze niet al te veel moeite te doen om het stuifmeel te verzamelen. Het stuift, zijn naam indachtig, soms vanzelf van de meeldraden af naar het haarkleed van de bij.

Een kwestie van elektriciteit: de bij is positief geladen door het vliegen, en de bloem negatief. Het eiwitrijke stuifmeel is ­bestemd voor de larfjes thuis. Tankt de bij de suikerrijke ­nectar bij, dan is dat voor eigen gebruik, als biobrandstof voor de vlucht. Stijgt de bij weer op uit de leeggetrokken bloem, dan is die niet meer negatief geladen en dat signaal pikken volgende bezoeksters op. Die snappen dan dat in de betreffende bloem niets te halen valt, ondanks de verleidelijke ­honingmerken en gaan een deurtje verder. “Daarom gaan bijen niet keurig het rijtje af, maar hoppen ze kriskras heen en weer tussen de bloemen”, weet Copijn.

Biesmeijer noemt nog zo’n ­andere slimme communicatiestrategie van de bijen onderling. Ze hebben kliertjes in hun voetzolen die op de bezochte bloemen een geurspoor achterlaten. “De volgende bijen vermijden die geur en dat is ook voor de bloemen handig. Je wilt zoveel mogelijk stuifmeel verspreiden, dus liever geen dubbel bezoek.”

Heen en weer, heen en weer

Voorzien van stuifmeel keert de bij terug naar het nest, met de zon als kompas. Dan volgt een stramien dat ze volgt zolang er voedsel voorhanden is en ze zelf niet al haar reserves er volledig doorheen heeft gejaagd: stuifmeelklompje bouwen, eitje leggen, misschien het geheel inmetselen in een eigen kamertje en dan weer van voren af aan. Het leren staat heel centraal, zegt Biesmeijer. “Daarom kiezen ze steeds dezelfde bloemen, zodat ze steeds sneller kunnen werken.”

Misschien legt de bij acht ­eitjes, of tien, of twintig, tot het niet meer gaat. Bolletje, eitje, bolletje, eitje, enzovoorts: “Ze vliegen zichzelf helemaal dood, met slecht weer, terwijl ze continu beducht moeten zijn op vogels, spinnen en slecht weer.” De hoogleraar neemt er zijn petje voor af.

De eitjes komen snel uit, de larfjes hebben dan een paar weken om groot te worden en als bij of als pop te overwinteren, tot hun korte maar hevige leven kan beginnen.

Lees ook:

Op naar een zoem- en geurtuin!

Loethe Olthuis, tuin-columnist voor Tijdgeest, heeft een duidelijk doel dit jaar: zorgen dat haar tuin meer bijen, hommels en vlinders trekt én tegelijk een geurparadijs wordt. Maar hoe pak je dit aan?

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden