Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

De kiezer raadplegen na de val van een kabinet is logisch. Of toch niet?

Democratie

Hans Goslinga

© Jörgen Caris
column

In de jaren zestig werd het als toppunt van regentendom gezien dat op basis van één verkiezingsuitslag drie kabinetten konden aantreden. De drie snel opeenvolgende premiers Marijnen, Cals en Zijlstra vormden het levende bewijs dat je in Nederland wel kon stemmen, maar niet kon kiezen. Dat verdroeg zich slecht met het ontluikende democratische bewustzijn van de ontzuilende burgers.

Sindsdien is het gebruik geworden na de val van een kabinet de Tweede Kamer te ontbinden en de kiezers te raadplegen. Een stuk democratischer. Of toch niet? Dat is een goeie vraag, zeker nu er in politiek Den Haag een neiging is in de Grondwet te verankeren dat de Tweede Kamer om de vier jaar wordt gekozen en niet tussentijds kan worden ontbonden. Opent dat de weg terug naar het regentendom?

Lees verder na de advertentie

Gerdi Verbeet opperde beteugeling van het ontbindingsrecht bij haar vertrek als Kamervoorzitter. Aanleiding waren de vervroegde verkiezingen in 2012, de vijfde in tien jaar tijd. De staatscommissie-Remkes, die ons parlementaire stelsel doorlicht, heeft de gedachte in haar tussenrapport overgenomen. Zij vindt dat het niet vanzelfsprekend moet zijn na elke kabinetsbreuk naar de kiezers terug te gaan. Als een alternatieve coalitie mogelijk is, moet het mandaat van de Tweede Kamer het zwaarst wegen.

Premier Rutte nam in wezen een loopje met dit nog tamelijk verse mandaat, toen hij na de breuk in zijn gedoogkabinet in 2012 direct op nieuwe verkiezingen aanstuurde. De vraag rees: waarom eigenlijk? Er was op basis van de verkiezingsuitslag van 2010 wel degelijk een alternatieve coalitie mogelijk, zoals bleek uit het Lenteakkoord tussen kabinet en de oppositiepartijen D66, GroenLinks en de ChristenUnie over de nieuwe begroting.

Gerdi Verbeet opperde beteugeling van het ont­bin­dings­recht bij haar vertrek als Ka­mer­voor­zit­ter

Dit akkoord onderstreepte ten overvloede dat er geen sprake was van een onoverbrugbaar conflict tussen kabinet en parlement waarin de kiezers als arbiter moesten optreden. Dat is de (misschien wel vergeten) ratio achter het ontbindingsrecht van de regering, de mogelijkheid van een uitweg uit een staatkundige impasse.

Ergo: Rutte gedroeg zich als een Angelsaksische regeringsleider die in nieuwe verkiezingen een kans zag zijn machtspositie te versterken. Hij laadde althans sterk die verdenking op zich. Op zich maakte hij een goede inschatting: de VVD won bij de vervroegde stembusgang tien zetels. Op haar beurt nam de Tweede Kamer, door gemakkelijk met Rutte mee te gaan, haar positie als representant van de kiezers en hoogste orgaan in ons bestel onvoldoende serieus. Wat is op dit punt democratische wijsheid?

Frictie

In wezen hebben we hier te maken met een frictie tussen de staatsrechtelijke regels en de gegroeide politieke cultuur. De regels gaan uit van een ­dualistische verhouding tussen kabinet en Kamer, de praktijk laat een ­dominant monisme zien: de regerende coalitie, bijeengehouden door een dwingend regeerakkoord, versus de oppositie. Het verschil met het Britse stelsel is dat de ministers hier geen deel uitmaken van het parlement.

Deze ontwikkeling betekent dat we dicht tegen een gekozen premier aan zitten. De verbeten strijd om het Torentje laat dat zien. Bij de laatste verkiezingen vochten zeven rivalen om de sleutel. Niet de representatie van de kiezers staat dus voorop, maar de macht. Hier past wel direct de relativering dat die macht beperkt is door de noodzaak coalities te sluiten.

De frictie kan lelijk opbreken als Rutte in 2019 naar een topfunctie in de EU zou vertrekken. Zijn er dan nieuwe verkiezingen nodig? Nee, want er is geen onoverbrugbaar conflict tussen kabinet en parlement dat ontbinding van de Tweede Kamer rechtvaardigt. Ja, want de premier is zo dominant en beeldbepalend geworden dat je niet om de kiezers heen kunt. Een interessant dilemma.

De Britten leken in 2007 beide sporen te kiezen, toen premier Blair het stokje overdroeg aan zijn partijgenoot Gordon Brown onder diens vage belofte het oordeel van de kiezers over de leiderswissel te vragen. Vanwege de achterstand in de peilingen op de ­Conservatieve partij zag Brown daar echter vanaf. Zo solistisch kan het bij ons niet, maar als het geval zich voordoet, zal ook hier de opportuniteit de doorslag geven. Los van wat democratisch verkieslijk is, levert dat al een lastige kwestie op zichzelf op.

De ervaring heeft geleerd dat het vertrek van een lang zittende premier een schokeffect heeft op het electoraat. Tot nu toe heeft dat effect nimmer in het voordeel van een regerende coalitie uitgewerkt, zoals is gebleken na het vertrek van Lubbers in 1994, Kok in 2002 en Balkenende in 2010. Daaruit kan de coalitie, mocht het zover komen, de les trekken de kwestie snel en adequaat intern op te lossen zonder misbruik van het ontbindingsrecht. Als dat toch als een staal­tje van regentendom wordt ­gezien, hebben de politici dat over zichzelf afgeroepen.

Hans Goslinga schrijft elk weekend een beschouwing over de staat van onze politiek en onze democratie.

Deel dit artikel

Gerdi Verbeet opperde beteugeling van het ont­bin­dings­recht bij haar vertrek als Ka­mer­voor­zit­ter