Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

De eerste vrouwelijke senator: indringer in een bedaagde herenclub

Democratie

Paul van der Steen

Carry Pothuis-Smit © Fotoarchief Eerste Kamer. Beeldbewerking: Liselore Kamping
Vrouw en politiek

Honderd jaar geleden kwam de eerste vrouw in de Tweede Kamer. Trouw portretteert in een serie de vrouwen die haar volgden in andere politieke en bestuurlijke ambten. Vandaag: de eerste vrouwelijke senator.

Een katholieke krant vond het onbestaanbaar. Een vrouw in de Eerste Kamer! Een sociaal-democrate nog wel. Het dagblad noemde de 48-jarige Carry Pothuis-Smit 'een roode kakelkip'. Haar verkiezing in 1920 liet volgens de verslaggever zien hoe samenleving en democratie afgleden. "Wat beteekent ook studie en levenswijsheid in onze tijd? Wie het hardst en luidruchtigst kakelt, heeft het meeste gehoor."

Lees verder na de advertentie

Haar achtergrond sprak volgens de gevestigde orde ook niet erg in haar voordeel. De liberale krant Het Vaderland zette de kop 'Als 't kindje binnenkomt' boven een stuk over het senatorschap van de sociaal-democrate en grapte: "Aan het schoonste en heiligste huis is een pothuis aangebouwd." Na deze poep- en pieshumor volgde nog een serieuzer betoog. Wat was het bestaansrecht van de Eerste Kamer nog als de leden voortaan uit dezelfde kringen kwamen als die van de Tweede Kamer? De SDAP had eerder al 'de gewezen letterzetter' Willem Vliegen afgevaardigd. Nu werd het nog erger, 'o, dag van wee!' Een 'socialistische huisvrouw' zou haar opwachting maken en de 'onbetwistbare gentlemanlikeness' dwong de heren volksvertegenwoordigers ook nog om haar 'met alle gratie te ontvangen'.

'O, dag van wee!' Een 'so­ci­a­lis­ti­sche huisvrouw' zou haar opwachting maken

Bericht in de liberale krant Het Vaderland

Achterhaald reliek

In de Eerste Kamer zaten edellieden, hoogleraren, geslaagde ondernemers en politici met een flinke staat van dienst. De SDAP'ers met hun doorgaans eenvoudigere achtergrond detoneerden in de ogen van de zittende parlementariërs. Daar kwam bij dat de partij de senaat een achterhaald reliek vond. Pothuis-Smit onderschreef dat, maar ze vond: "Nu het instituut er nog is, zou het dwaas zijn, als wij het niet gebruikten".

Bang om eigenzinnig een alternatieve weg te kiezen was Carry Smit nooit geweest. Dat ze als meisje wilde doorleren, was in het gegoede middenstandsmilieu in Arnhem waarin ze opgroeide al vreemd. Carry ging naar de kweekschool en had op haar achttiende al haar onderwijzers- en hoofdakte op zak. Op de scholen waar ze daarna werkte, werd ze via de leerlingen geconfronteerd met armoede en andere ellende. Ze werd lid van de nog jonge SDAP en ontmoette al snel koopmanszoon Samuel Pothuis, actief in het vakbondswerk. In 1903 werd ze als eerste vrouw secretaris van een van de Amsterdamse SDAP-afdelingen.

Vanaf 1900 verleende Pothuis-Smit ook haar medewerking aan partijbladen. Een eigen vrouwenblad leek haar nog mooier, maar aanvankelijk stuitte dat idee op hoon en onbegrip. In 1905 kreeg ze alsnog haar zin. Aanvankelijk bleef het bij enkele honderden lezeressen, maar rond de invoering van het vrouwenkiesrecht in 1919 telde de administratie al bijna 11.000 lezeressen en op het hoogtepunt in 1933 ongeveer 63.000. In de kolommen combineerde Pothuis-Smit zware politieke kost met lichtere artikelen over voeding, hygiëne en opvoeding. Een kookrubriek en feuilleton zorgden voor ontspanning.

Podiumvrees

In 1908 behoorde Pothuis-Smit tot een van de oprichters van de Bond van Sociaal-Democratische Vrouwen Clubs (BSDVC). Met die organisatie ging ze voorop in de strijd voor het vrouwenkiesrecht. Een rol als volksvertegenwoordigster lag op haar weg. In 1919 werd ze gemeenteraadslid, terwijl ze zelf nog niet mocht stemmen. Een jaar later, toen alle vrouwen wel mee mochten kiezen, droegen Provinciale Staten van Noord-Holland haar voor als Eerste Kamerlid.

Pothuis-Smit voelde zich als het erop aankwam meer op haar plek als redactrice dan als volksvertegenwoordigster. "Ik ben heelemaal geen goede spreekster, ik schrijf ook gemakkelijker dan dat ik spreek." Zelfs met jaren parlementaire ervaring bleef ze last houden van enige podiumvrees. "Ik heb altijd een beklemd gevoel als ik naar de Kamer moet gaan om er het woord te voeren."

Ondanks die schroom dwong ze steeds meer respect af. Ongeveer de helft van de Eerste Kamerleden negeerde en ontweek haar aanvankelijk. Later gingen de heren senatoren haar collegialer behandelen. Pothuis-Smit bleek niet de vooraf verwachte 'blauwkous met mannelijk gebaar en krijschende stem'. In plaats daarvan verscheen een 'eenvoudige, beschaafde vrouw', klein van stuk, die 'met een zachte stem' en verstand van zaken sprak.

Tien jaar na haar entree in de Eerste Kamer hield nog één senator vast aan zijn oude principes door Pothuis-Smit consequent niet te groeten

Tien jaar na haar entree in de Eerste Kamer hield nog één senator vast aan zijn oude principes door Pothuis-Smit consequent niet te groeten, vertelde de SDAP'ster in een interview. Ze noemde geen namen.

Oorlogshitserij

Pothuis-Smit stond voor haar sociaal-democratische idealen en beklom het spreekgestoelte voor betogen over onder meer onderwijs, landbouw, drankbestrijding, de positie van de vrouw en betaald zwangerschapsverlof. Daarnaast plaatste ze kritische kanttekeningen bij de koloniale politiek van de Nederlandse regering in Nederlands-Indië. Ondertussen ageerde Pothuis-Smit in geschreven en gesproken woord steeds steviger tegen geweld en militarisme. De tijd vroeg er wat haar betreft om. Alles aan het 'Hitler-fascisme' verafschuwde ze: het onderdrukken van politieke tegenstanders waaronder de kameraden van de SPD, de oorlogshitserij en de rassenwaan. Den Haag stond erbij en keer ernaar: "Nu komt de geheele Nederlandsche bourgeoisie, die dertig jaar geleden hevig verontwaardigd was over de opsluiting der Boeren in veel minder erge Engelsche concentratiekampen, niet in opstand."

Haar principes waren Pothuis-Smit zelfs haar zetel in de Eerste Kamer waard. Een nieuw beginselprogramma moest de aantrekkingskracht van de SDAP vergroten. Dat betekende onder meer acceptatie van de monarchie en aanvaarding van de nationale gedachte (de sociaal-democratie was voortaan door 'historische lotsverbondenheid deel van de Nederlandse natie en bouwde voort op de beste Nederlandse tradities van geestelijke vrijheid en verdraagzaamheid'). Kon Pothuis-Smit zich daar nog wel achter scharen, het schrappen van het streven naar eenzijdige ontwapening vond ze onverteerbaar. Ze trad terug als Eerste Kamerlid.

Om naar buiten toe het beeld van sociaal-democratische eenheid te blijven uitstralen, voerde ze in het openbaar aan dat het bereiken van de leeftijd van 65 jaar en het recente overlijden van haar echtgenoot reden waren om op te stappen. Maar intern maakte ze duidelijk waar het haar werkelijk om ging.

Steeds meer vrouwen volgden

Het eerste vrouwelijke Eerste Kamerlid werd opgevolgd door de bijna twintig jaar jongere Liesbeth Ribbius Peletier. Ook zij had een verleden in de BSDVC, ook zij was een overtuigd antimilitariste. Maar het nieuwe SDAP-beginselprogramma belette haar niet om plaats te nemen in de senaat.

Een belangrijk deel van haar jaren aan het Binnenhof bleef Ribbius Peletier de enige vrouw in de Eerste Kamer. Na haar vertrek in 1947 zat ook partijgenote Martina Tjeenk Willink alleen tussen de mannen. Pas na de uitbreiding van het aantal zetels in de senaat van vijftig naar 75 in 1956 werd het ietsje beter: vier vrouwen tegenover 71 mannen. In de loop van de decennia daarna groeide het aantal vrouwen in de Eerste Kamer langzaam verder. In 1991 was voor het eerst meer dan een kwart van de senatoren vrouw.

Pothuis-Smit was op dat moment al veertig jaar dood. Ze maakte nog wel de oorlog mee. De verschrikkingen in die jaren bevestigden haar alleen maar verder in haar pacifisme. Na de bevrijding werkte ze nog even mee aan het nieuwe blad Wij Vrouwen.

De gezondheid van Pothuis-Smit werd tegelijkertijd brozer. Ze stopte met het schrijven voor partijbladen en wijdde zich nog enkel aan kinderboeken. Op 30 augustus 1951 overleed de oud-senator, nadat ze een dag eerder haar bewustzijn had verloren.

Ankie Broekers-Knol © Werry Crone

'Heel soms zie je nog iets van oude mechanismen'

Ankie Broekers-Knol (71), Eerste Kamerlid voor de VVD sinds 2001 en voorzitter van de Eerste Kamer sinds 2013:

"Gewoon vanaf jonge leeftijd actief worden en gezag opbouwen, dat herken ik in het verhaal van Carry Pothuis-Smit. In haar tijd was daar veel moed voor nodig. Voor mij was het veel gewoner. Mijn vader roerde zich in de plaatselijke VVD. Mijn moeder was actief in de vrouwenclub van de partij. Het ging bij ons aan tafel vaak over politiek."

"Eind jaren zestig ben ik als jonge twintiger zelf wat gaan doen. In eerste instantie met posters plakken. Beletsels ben ik als vrouw nooit tegengekomen. Ook later als raadslid in Bloemendaal niet."

"De Eerste Kamer heb ik nooit als een herenclub gezien. Toen ik in 2001 lid werd, zaten er al volop vrouwen in. Als VVD hadden we ook een vrouw als fractievoorzitter. Heel soms zie je nog wel de oude mechanismen aan het werk. Als het gaat om het lidmaatschap van commissies als die van buitenlandse zaken of financiën staan de mannen vooraan. Vrouwen gaan sneller naar volksgezondheid of sociale zaken, de zachte sector. Op dat soort momenten moet je net als Pothuis-Smit je vinger opsteken en zeggen: sorry, ik heb er ook verstand van en een mening over."

Deel dit artikel

'O, dag van wee!' Een 'so­ci­a­lis­ti­sche huisvrouw' zou haar opwachting maken

Bericht in de liberale krant Het Vaderland

Tien jaar na haar entree in de Eerste Kamer hield nog één senator vast aan zijn oude principes door Pothuis-Smit consequent niet te groeten