Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Zoals van een man van stand verwacht werd

Cultuur

Monica Soeting

Rijken dragen ook zo hun lasten. Zoals Cornelis den Tex, telg van een invloedrijk geslacht, die zich als mislukt beschouwde, omdat hij niet zoveel macht vergaarde als zijn voorvaderen. En omdat hij geen zoon had. Een van zijn dochters schreef een boek over hem.

In de zomer van 1954 besloot Cornelis den Tex (1889-1964), de vader van Ursula den Tex, de familiepapieren te verbranden. Den Tex was de vijfde en laatste van een reeks ’Cornelissen’ uit een vermogende, Amsterdamse familie, die sinds het einde van de achttiende eeuw een belangrijke rol had gespeeld in de handel en de politiek.

De vijfde Cornelis had geen zoon aan wie hij zijn naam kon doorgeven. Dit vond hij zo teleurstellend, dat hij verklaarde ’geen toekomst’ te hebben. En wie geen toekomst heeft, hoeft geen familiedocumenten te bewaren.

Gelukkig bleef een groot deel van de papieren intact, dankzij het Gemeentearchief van Amsterdam. Al eerder had Den Tex zijn familiedocumenten hier aangeboden. Toen hij besloot alles te vernietigen, was hij zo beleefd het archief op de hoogte te stellen. Mejuffrouw Isa van Eeghen, de toenmalige archivaris en zelf telg van een aanzienlijke en vermogende Amsterdamse familie, spoedde zich daarop naar het huis van Den Tex, en kon nog net een deel van het familiearchief redden.

Bovendien besloot Den Tex zijn dagboeken van de afgelopen veertig jaar wel te bewaren, en na zijn dood kwamen er uit allerlei hoeken en gaten toch nog heel wat oude familiepapieren tevoorschijn. Ursula den Tex – die eerder de levensgeschiedenis van haar moeder Anna Baronesse Bentinck schreef – besloot op basis van de documenten die de gang naar de stookoven hadden overleefd, de levens van alle Cornelissen den Tex, en vooral dat van haar vader, te reconstrueren.

Als kind had de biografe grote bewondering voor haar vader. „Ik zag hem als een prachtige man”, schrijft ze, „met zijn twee meter lengte, met zijn warme stem en ogen die zwarte poelen waren van melancholie, behalve dan als hij grappen maakte, dan konden ze stralen. [] Deze meester van het universum droeg een last op zijn schouders, dat voelde ik, en als liefhebbende dochter had ik hem liefst geholpen die te dragen, dat willen liefhebbende kinderen wel meer.”

De last die de laatste Cornelis den Tex met zich meezeulde, is het leidmotief van ’Erfgenamen’. Deze Cornelis voelde zich niet alleen mislukt omdat hij geen zoon had gekregen; hij hield, zo blijkt uit zijn dagboeken, zijn hele leven lang het gevoel dat hij meer van zijn leven had moeten maken.

Dat had vooral te maken met zijn opvoeding. Zijn dochter schetst hem als een verlegen, dromerig kind, dat door zijn eigen vader ’mijmerziek’ en lui werd genoemd. Zelf was de vierde Cornelis den Tex een rijke, zelfbewuste burgemeesterszoon met vele bestuursfuncties; zijn mooie, jonge vrouw was bij de geboorte van de vijfde Cornelis gestorven.

Deze vader stelde hoge eisen aan zijn zoon. Toen die veertien was, en op het gymnasium in Amsterdam dreigde te mislukken, werd hij naar Tiel gestuurd, om ’zich te verbeteren’. Verbeteren deed hij. Niet meteen, want hij had als jongen heimwee en leed sterk aan faalangst.

Maar in de loop van de jaren ontwikkelde hij zich steeds meer zoals van een zoon uit een voorname familie werd verwacht: hij sloot zich aan bij de huzaren, studeerde rechten, trouwde een meisje uit een familie ’van stand’, werd burgemeester van Bloemendaal, en nam, nadat de Duitsers hem op 5 mei 1942 als vooraanstaande Nederlander hadden gegijzeld, na de bevrijding zijn post als burgemeester weer op. Hij had zich, zoals zijn dochter schrijft, in zijn volwassen jaren aan het mannelijke ideaal aangepast; hij was ’de Man, de eenzame ruiter’, die alle onmannelijke sentimenten had overwonnen, om het hoogste doel, ’de Graal, de draak, het te veroveren land, het losscheuren zonder meer’ te kunnen bereiken. Hij was een autoritaire ex-militair, verzot op wapens en wars van iedereen die uit een andere wereld dan de zijne kwam: rooms-katholieken, Joden en communisten. Maar waarom bleef hij altijd het gevoel hebben dat hij te weinig van zijn leven had gemaakt?

Dat heeft, zoals Den Tex in dit veelzijdige, genuanceerde en knap geconstrueerde boek laat zien, te maken met de verwachtingen die aan haar vader als vijfde Cornelis den Tex werden gesteld en die hij ook aan zichzelf stelde. Hij had niet alleen eenzelfde maatschappelijke positie als zijn handelende en besturende voorvaders moeten innemen, maar ook zelf een zoon moeten produceren – een zesde Cornelis den Tex. Als burgemeester van een kleine gemeente en vader van twee dochters had hij in zijn eigen ogen gefaald. Zijn leven paste, zoals zijn dochter uitlegt, precies in het verhaal dat we graag over voorname en rijke families vertellen, een verhaal waarin „een geslacht zijn opgang heeft en zijn ondergang, de eerste generaties leggen de grondslag voor roem en fortuin, de eerstvolgende brengt het tot een hoogtepunt en de daaropvolgende verspilt het weer, zodat er ten slotte alleen maar weemoed en verval overblijft.”

Daaraan voegt ze echter onmiddellijk toe dat haar vader ook voor een heel ander verhaal had kunnen kiezen. Hij was een vooraanstaande Nederlander, hij had geld, en hij had twee talentvolle dochters. Had hij op die manier over zichzelf gedacht, dan waren er misschien ook meer documenten over zijn vrouwelijke familieleden bewaard gebleven – in het verhaal dat de familie Den Tex over zichzelf vertelde, waren vrouwen immers bijzaak.

Vooral dat laatste maakt duidelijk dat de definitie van het begrip ’geslacht’ – een familie die alleen bestaat per gratie van vaders en zonen – volkomen aan de werkelijkheid voorbij gaat. „Wat men ook denken kan over het verschil tussen man en vrouw”, besluit Den Tex, „vrouwen zijn niet alleen degenen die het leven doorgeven, zij zijn er in het algemeen ook beter in om het te handhaven, met weinig drama en volhardend. Zo zie ik het tenminste en zo wil ik het in deze laatste alinea ook maar gezegd hebben, één laatste alinea om hen eer te bewijzen in een verhaal van mannen.”

Lees verder na de advertentie
Cornelis den Tex met jachtbuks en plusfours, jaren dertig. (FOTO UIT BESPROKEN BOEK)

Deel dit artikel