Wat er gebeurde vóór de gang naar Canossa

cultuur

Hans Dijkhuis

De gang naar Canossa in 1077 vormt een keerpunt in de West-Europese geschiedenis. Maar wat er in de decennia daarvóór gebeurde, vanaf de millenniumwisseling, was minstens zo belangrijk, betoogt Tom Holland.

Deze afbeelding van de gang naar Canossa van koning Hendrik IV wordt bewaard in de bibliotheek van het Vaticaan. De schilder is onbekend. (Trouw)

Toen de Duitse koning Hendrik IV de bisschoppen in zijn rijk opriep tot het afzweren van paus Gregorius VII, die hem in de kerkelijke ban had gedaan, was alleen bisschop Willem van Utrecht zo dapper om daaraan gevolg te geven. Het kwam hem duur te staan. Zijn kerk werd meteen door de bliksem getroffen, zelf kreeg hij vreselijke buikpijn en stierf binnen een maand. De overige bisschoppen kozen wijselijk de kant van de paus. De eerste die van Willems dood vernam was overigens abt Hugo van Cluny, het belangrijkste klooster van Europa. De bisschop zelf was hem in een visioen terstond komen vertellen dat hij dood was en ten prooi aan hellevuur.

Het verhaal staat in het nieuwe boek van Tom Holland, ’De gang naar Canossa’, over een enerverende periode in de Europese geschiedenis. Eeuwenlang had West-Europa, belaagd door binnenvallende Hongaren, Noormannen en Saracenen, een kwijnend bestaan geleid, in de schaduw van de welvarende en hoogontwikkelde beschavingen van het Byzantijnse Rijk en de islam, maar nu kon het eindelijk een eigen identiteit gaan ontwikkelen, dankzij wat Holland de ’pauselijke revolutie’ noemt.

Deze revolutie wordt gesymboliseerd door de spreekwoordelijk geworden ’gang naar Canossa’ van Hendrik, die na het overlopen van zijn bisschoppen vrijwel alleen was komen te staan. In de Noord-Italiaanse burcht Canossa, waar de paus logeerde, wilde de koning in 1077 zijn excommunicatie ongedaan laten maken. Drie dagen wachtten hij in de winterkou voor de poort, tot hij eindelijk door Gregorius werd binnengelaten en zijn zin kreeg.

De ontmoeting in Canossa is de bekendste episode uit de ’investituurstrijd’, de strijd tussen Kerk en koningen om het recht bisschoppen te benoemen. Tot dan toe waren dat veelal edelen geweest die met wereldse macht over hun bisdom regeerden en bovenal verantwoording schuldig waren aan hun koning. Gregorius wilde zijn Kerk aan de wereldse macht onttrekken en haar, naar het lichtende voorbeeld van het ’engelenrijk’ Cluny, omvormen tot een bolwerk van godsvrucht en spiritualiteit. Voortaan moesten alle priesters –ook bisschoppen–zich als monniken aan het celibaat houden.

De stelling dat deze grootscheepse kerkhervorming het voornaamste keerpunt in de West-Europese geschiedenis is geweest, werkt Holland maar summier uit, in zijn voorwoord. Zij leidde volgens hem, als een ’onbedoeld gevolg’, tot de scheiding van Kerk en staat die de West-Europese identiteit uitmaakt: „Dat de kerk zich vanaf de tweede helft van de elfde eeuw nadrukkelijk immuun verklaarde voor inmenging van buitenaf door voor haar eigen wetten, ambtenarenapparaat en inkomen te zorgen, dreef de vorsten ertoe hetzelfde te doen.”

De rol van de Reformatie, bijna vijf eeuwen later, was volgens Holland blijkbaar van geringer historisch belang. Dat blijkt ook uit zijn vergelijking met de huidige islam: dat daar geen scheiding tussen staat en kerk (of moskee) bestaat komt niet zozeer doordat zij geen reformatie heeft gekend, als wel doordat zij geen ’Canossa’ heeft gekend. Jammer genoeg gaat hij hier niet verder op in, en evenmin op de vraag welke andere factoren de scheiding in de hand kunnen hebben gewerkt.

De grote kracht van Hollands boek ligt in de beschrijving van wat er vóór ’Canossa’ gebeurde. Zijn prikkelende uitgangspunt is dat de pauselijke revolutie niet los kan worden gezien van de apocalyptische verwachtingen rond het jaar 1000, die talloze christenen, vorsten incluis, in hun greep hadden gehouden. Op grond van de Openbaring van Johannes werd het einde der tijden voorspeld voor het duizendste jaar na Jezus’ geboorte. Toen er in dat jaar niets noemenswaardigs geschiedde schoof men de verwachting op naar 1033, een millennium na zijn kruisdood. Maar nadat ook dit jaar voorbij was gegaan zonder dat Jezus was wedergekeerd en het Nieuwe Jeruzalem uit de hemelen neergedaald, werden de bakens verzet. De West-Europese christenen zagen ineens weer een toekomst voor zich en begonnen aan ’de heroïsche taak zelf een hemels Jeruzalem op aarde te bouwen’. De kerkhervorming paste prima in dat nieuwe elan.

Zo is ’De gang naar Canossa’ vooral een boek over de millenniumwende, wat ook wordt aangegeven door de oorspronkelijke titel, ’Millennium’. De gebeurtenissen in de voorafgaande eeuw worden uitgebreid beschreven. Het was de tijd waarin in Frankrijk, het rijk der Franken, kastelen en ridders verschenen; waarin het klooster van Cluny werd gesticht; waarin het Duitse of het Heilige Roomse Rijk ontstond met zijn Ottoonse keizers, die zich de opvolgers van Karel de Grote en de Romeinse keizers waanden; waarin de Noormannen in Noordwest Frankrijk zich lieten dopen en het Normandische rijk vormden, vanwaar later Engeland en Zuid-Italië werden veroverd; waarin talloze christenen als slaven werden verkocht aan de islamitische grootmachten rond de Middellandse Zee; waarin Constantinopel, de ’koningin der steden’, nog het belangrijkste bolwerk van het christendom was maar de dreiging van de Saracenen al pijnlijk voelde.

Holland vertelt dit alles op ongemeen meeslepende wijze, vaak met humor en met oog voor zowel de grote lijnen als details, zoals de vele visioenen en dromen die destijds als goddelijke voortekenen werden beschouwd. De ontwikkelingen in Oost- en Noord-Europa krijgen veel meer aandacht dan gewoonlijk.

Met hetzelfde ogenschijnlijke gemak als waarmee hij in zijn vorige boek ’Perzisch vuur’ de overwinning van de Grieken op de Perzische invasiemacht beschreef, wijdt Holland nu uit over een cruciaal tijdperk in de Europese geschiedenis. In ’Perzisch vuur’ hield hij zijn lezers voor dat de zaken in Europa een heel andere loop zouden hebben genomen als de Perzen de Grieken hadden overwonnen. Zo’n les valt ook in dit boek te proeven, ten aanzien van de voortdurende dreiging van de islam, waar de jihad, de verbreiding van het geloof, als heilige plicht gold.

In 1009 was in Jeruzalem de Heilige Grafkerk op last van kalief Al-Hakim verwoest, voor de christenen een teken temeer dat de apocalyps naderde. Maar aan het einde van de eeuw verklaarde Gregorius’ opvolger Urbanus dat elke reis die door een godsvruchtige christen zou worden ondernomen om ’de Kerk van God in Jeruzalem te bevrijden’ als een volledige boetedoening zou gelden – zij garandeerde met andere woorden een plaatsje in de hemel. Kort daarop begon de eerste kruistocht, die eindigde met de verovering van Jeruzalem. De christenen waren nu zelf in de aanval gegaan, onder het trotse banier van de paus, wiens macht tot ongekende hoogten was gestegen.

Trouw.nl is vernieuwd. Ter kennismaking mag u nu gratis onze artikelen lezen.

Deel dit artikel

Advertentie