Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Waarom Ibn Warraq geen moslim is

Cultuur

door Hans Jansen

Review

Ibn Warraq is een uit het voormalige Brits-Indië afkomstige heer van tussen de vijftig en zestig jaren oud, die openlijk toegeeft dat hij een vijand van de islam is. Zijn eerste boek heet 'Waarom ik geen moslim ben', in navolging van het beroemde boek van Bertrand Russell 'Waarom ik geen christen ben'.

Veel moslims gaan er als vanzelfsprekend van uit dat de islam overtuigde fulltime vijanden heeft. Met name in het Midden-Oosten zijn de aanhangers van de islam er zeker van dat niet-moslims druk bezig zijn met het smeden van samenzweringen tegen de islam. Wanneer, desgevraagd, een moslim moet vertellen hoe die vijanden van de islam precies heten, en waar ze wonen, blijven de antwoorden vaag. Een van de redenen van de enorme bijval voor Khomeini's fatwa tegen Salman Rushdie is waarschijnlijk geweest dat de vijanden van de islam, waar miljoenen moslims in geloven, nu een naam en een gezicht hadden gekregen: de romanschrijver Rushdie en al wie hem las, steunde, vertaalde of uitgaf.

De Amerikaanse oorlog tegen Irak maakt het natuurlijk gemakkelijker om te geloven in een wereldomspannende oorlog tegen de islam en de moslims. Dat in werkelijkheid de meeste niet-moslims geheel onverschillig staan tegenover de islam, of welke andere godsdienst dan ook, kan er bij het publiek in het Midden-Oosten maar moeilijk in. Amerika heeft een tiental keren moslims uit de internationale penarie gehaald, van de Suez-crisis van 1956 tot de bevrijding van Koeweit in 1991, en van de Juni-oorlog van 1967 tot crisissen in Joegoslavië in de jaren negentig, om nog maar te zwijgen van de voedselhulp aan de landen in het Midden-Oosten. Je kunt kennelijk mensen ook te vaak helpen, want Amerika geldt bij velen als een vijand van de islam, hoe vaak Bush ook zegt dat 'dit geen oorlog tegen de islam is'.

Toch is er ten minste één man op deze planeet die van zichzelf openlijk toegeeft dat hij wél een vijand van de islam is. Het gaat hier om een zekere Ibn Warraq - Arabisch voor 'de zoon van een boekhandelaar', het pseudoniem van een uit het voormalige Brits-Indië afkomstige heer van tussen de vijftig en zestig jaren oud, woonachtig in een van de landen van de Europese Unie, die zijn boeken in Amerika publiceert, bij de uitgeverij Prome-theus in New York.

Je hoeft niet op het gymnasium gezeten te hebben om te weten dat Prometheus een figuur uit de Griekse mythologie is, die door het vuur van de Olympus te stelen tegen de Goden in opstand komt. Hij wordt daar akelig voor gestraft: de sadistische godenkliek van de Olympus laat hem elk etmaal door gevogelte zijn lever uitpikken, die dagelijks weer aangroeit.

De naam Prometheus is voor een uitgever van antireligieuze boeken uiteraard een verwijzing naar de doelstellingen die de uitgever koestert: weg met het geloof. De Newyorkse Prometheus heeft ook tal van min of meer antichristelijke boeken uitgegeven, onder meer van de hand van de Nieuw-Testamenticus Randel Helms, en van de goochelaar dr. Joe Nickel, die in zijn onvolprezen klassieker Looking for a Miracle uit 1993 geduldig uitlegt hoe wonderen in elkaar zitten. Het is dus niet zo dat de redacteuren van Prometheus het alleen op de islam voorzien hebben. (Dr. Nickel is overigens echt gepromoveerd.)

Het eerste boek dat Prometheus van Ibn Warraq heeft uitgegeven heette Waarom ik geen moslim ben ('Why I am not a Muslim'), uit 1995. Het boek is niet in veel Nederlandse bibliotheken aanwezig. De titel is een toespeling op een in Engeland en Amerika beroemde bundel van Bertrand Russell, Why I am not a Christian, voor het eerst in de huidige vorm verschenen in 1957, maar opgebouwd uit losse artikelen die voornamelijk uit de jaren veertig dateren. Russell heeft natuurlijk vijanden gemaakt met die artikelen, maar met de dood is hij nimmer bedreigd. Ibn Warraq is pessimistisch over de reacties van zijn (voormalige) geloofsgenoten, en heeft er dan ook voor gekozen om onder een pseudoniem te schrijven. Het lot van de Egyptische antifundamentalistische essayist Farag Foda, op straat in Cairo doodgeschoten in juni 1992, en de toestanden rond mensen als Rushdie, Nasr Abu Zaid en Ayaan Hirsi Ali maken dat zijn standpunt valt te billijken.

In het voorwoord van zijn eerste boek vertelt Ibn Warraq dat dit boek zijn bijdrage is aan de oorlog tegen het soort mensen dat Rushdie zou willen vermoorden. Dit boek, schrijft hij, is my war effort. Het valt op dat Ibn Warraq in dit eerste boek geen enkel verschil maakt tussen de 'gewone' islam en het islamitisch fundamentalisme. Beide keren zich met volle kracht tegen de vrijheid van meningsuiting. Strijd tegen de vrijheid van denken verenigt de islam en de islamitische fundamentalisten, en dat vindt Ibn Warraq onvergeeflijk, want ten aanzien van de intellectuele vrijheid acht hij ieder compromis fataal.

Tijdens de Verlichting is dat door westerse denkers vaak genoeg betoogd en onderbouwd, zozeer zelfs dat het een cliché is geworden waar niet-moslimse westerlingen vermoeid overheen lezen. Maar in de wereld van de islam is het helemaal geen cliché.

In zijn eerste boek richten de hardste aanvallen van Ibn Warraq zich op de Koran zelf. Is in de Koran, zoals moslims geloven, God zelf aan het woord? Terwijl hij zich in de directe rede, al dan niet via de Engel Gabriël, tot Mohammed richt? Of heeft Mohammed vals gespeeld? Heeft Mohammed zijn eigen, menselijke woorden en opvattingen leugenachtig aan God toegeschreven? Ibn Warraq acht hier geen tussenweg mogelijk. Als de Koran niet het woord van God is, is Mohammed een leugenaar. Een derde mogelijkheid zit er niet in. Wie gelooft dat de Koran het woord van God is, van de God die hemel en aarde geschapen heeft, die moet moslim blijven of worden, en wie dat niet gelooft, beschuldigt Mohammed er impliciet van een leugenaar te zijn.

Ook wijst Ibn Warraq erop dat de moderne bijbelwetenschap consequenties heeft voor de koranwetenschap. De Koran heeft bijvoorbeeld een ongewone belangstelling voor de profeet Jona. Het gaat in het geval van Jona immers om een profeet (als Mohammed) die de ondergang van een stad (als Mekka) voorzegt, maar de inwoners van die stad bekeren zich, en er gebeurt niks. Het thema van het Jona-verhaal is profetie die niet uitkomt. Maar de Koran behandelt Jona desalniettemin als een historische figuur, die echt ergens ooit geleefd heeft.

Als nu de bijbelwetenschap heeft aangetoond dat Jona geen historische figuur geweest kan zijn, en dat het boek Jona niet meer is dan een stichtelijk verhaal, meer een preek of een gelijkenis dan een verslag van gebeurtenissen, heeft dat dan niet ook consequenties voor de koranwetenschap? Ibn Warraq wijst er op dat moslims zelfs nog niet begonnen zijn zich dit af te vragen, en dat in die zin, de islamwereld wel erg achter loopt op het vrije Westen.

Ibn Warraqs eerste boek heeft weinig de publieke aandacht getrokken. Ibn Warraq, Salman Rushdie, V.S. Naipaul en de in Nederland nog onbekende Indiase anti-islamitische polemist Arun Shourie hebben alle vier een Brits-Indische culturele achtergrond. Zouden oude hindoe-opvattingen, diep in hun zielen verborgen, een rol spelen bij de onbarmhartige kritiek op de islam die deze heren hebben? Of een cocktail van koloniale Britse en hindoe-invloeden?

Christelijke en joodse kritiek op de islam is zoveel zachtzinniger dan wat we uit het voormalige Brits-Indië vernemen, dat het niet helemaal idioot is om eens na te denken over eventuele hindoeïstische vooroordelen die zich achter deze polemieken verschuilen. Of is er iets heel anders aan de hand, en zijn de overeenkomsten tussen de islam enerzijds en het jodendom en het christendom anderzijds, zo groot dat wie in de joodse of christelijke traditie is opgegroeid, niet goed bij machte is de islam nuchter op de korrel te nemen?

Het tweede boek van Ibn Warraq verschijnt in 1998: The Origins of the Koran. Ook deze bundel bestaat grotendeels uit herdrukken van grote lappen islamkundige geleerdheid, meestal afkomstig van geleerden die vóór de Tweede Wereldoorlog gewerkt hebben, met een voorwoord van Ibn Warraq zelf. Dat Ibn Warraq in zowel zijn eerste als zijn tweede boek vooral wat oudere onderzoekingen heeft gebundeld, komt doordat voor de Tweede Wereldoorlog de academische beoefenaren van de islamkunde nog nauwelijks last hadden van de politiek-correcte omzichtigheid die vanaf de jaren zestig/zeventig wereldwijd de universitaire norm is geworden. Bovendien, als deze klassieke studies nu nog steeds niet weerlegd zijn, zal dat ook wel niet meer gebeuren.

Over de politieke correctheid van de meerderheid van de moderne islamonderzoekers maakt Ibn Warraq zich boos. Er worden heel wat moderne geleerden door Ibn Warraq aan de schandpaal genageld vanwege de wel bijzonder positieve toonzetting van hun diepzinnige bespiegelingen over de islam. Zo schrijft de Schotse geleerde W.M. Watt dat de beschuldigingen dat Mohammed een bedrieger was die zijn openbaringen eigenhandig verzon, rustig weggelachen kunnen worden. Een succesvolle godsdienststichter is immers geen fraudeur. Ibn Warraq wijst er koel op dat 'weglachen' niet hetzelfde is als argumenteren. Mohammed heeft niet, zoals Watt kennelijk meent, miljoenen moslims overtuigd maar, schrijft Ibn Warraq, hij heeft slechts een paar duizend tijdgenoten weten over te halen hem te volgen. De rest, meent Ibn Warraq, is niets dan dwang. De derde bundel van Ibn Warraq dateert uit 2000, en bevat materiaal over de wetenschappelijke zoektocht naar de historische Mohammed: The Quest for the Historical Muhammad. De algemene strekking van de artikelen in de bundel is dat er niets met zekerheid over de historische Mohammed te zeggen is. We hebben alleen verhalen die generaties lang mondeling zijn doorverteld voor ze voor het eerst zijn opgeschreven. De oudste bewaard gebleven geschreven versie van Mohammeds biografie dateert van om-

streeks het jaar 750 AD, meer dan honderd jaar na de dood van Mohammed (die volgens de islamitische traditie in 632 AD overleden is).

Analyse van de verhalen uit die biografie stemt somber over de vraag in hoeverre het allemaal, in enige betekenis van die woorden, 'echt gebeurd' kan zijn. De verhalen zijn vaak onderling tegenstrijdig, kennen talloze kleine varianten, en er zijn tradities en tegentradities die haast met elkaar lijken te polemiseren. Sommige verhalen bevatten kennelijk zelfs toespelingen op dingen die pas na de dood van Mohammed gebeurd zijn. Andere verhalen lijken wel bedacht te zijn om onoplosbaar moeilijke koranpassages in een begrijpelijke context te plaatsen.

Toch geloven de meeste moslims zonder veel voorbehoud in de echtheid van deze vertellingen, zelfs waar de vertelde verhalen blijk geven van een waarden- en normensysteem dat scherp afwijkt van onze moderne opvattingen, bijvoorbeeld ten aanzien van de seksualiteit van kinderen. Het is op dit punt dat Ayaan Hirsi Ali in aanvaring kwam met haar geloofsgenoten toen ze, in een interview in Trouw, hen eraan herinnerde dat de islam leert dat Mohammed met een negenjarig meisje gehuwd geweest zou zijn.

De voorlopig laatste bundel van Ibn Warraq is in 2002 verschenen, en wil vertellen wat er nu echt in de Koran staat: What the Koran Really Says. Deze bundel bevat niet alleen een aantal bijdragen die speciaal voor deze bundel geschreven zijn, maar ook weer soms vrij oud materiaal, plus een ongeveer tachtig pagina's tellende inleiding van Ibn Warraq zelf. Het geheel telt maar liefst 782 bladzijden. Een traditioneel vrome moslim zal van de lectuur van dit boek niet vrolijk worden, maar het is waarschijnlijk nog niets vergeleken bij wat er later dit jaar gaat verschijnen, een bundel met getuigenissen van moslims die uit de islam getreden zijn. De titel van deze bundel is bekend: Leaving Islam: Apostates speak Out.

Een voorproefje van wat er in deze bundel zal komen te staan, is te vinden op de website van Ibn Warraq en zijn Institute for the Secularisation of Islamic Society (ISIS): www.secularislam.org - de afgedrukte getuigenissen zijn niet allemaal in even fraai Engels, ook op de spelling is wel eens iets aan te merken, maar zo hoort het nu eenmaal op het world wide web, dat ook in de islamitische wereld toegankelijk is, wat de censuur daar ook tegen zou willen doen. Die toegankelijkheid is minder onschuldig dan het klinkt, want het betekent dat moslims, voor het eerst in de geschiedenis, onbelemmerd toegang zullen hebben tot anti-islamitische polemieken.

De in alle islamitische landen geldende regeling dat de islam als enige toegang heeft tot de markt voor nieuwe religieuze ideeën, is door internet, en Ibn Warraq, voorgoed tot een einde gekomen. Dat is natuurlijk niet voor iedereen leuk, maar de katholieke kerk heeft een dergelijk verlies van haar monopoliepositie ook overleefd.

Zo'n verlies brengt wel verandering met zich mee. Maar daar moet in de moderne tijd mee te leven zijn.

Deel dit artikel