Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Vrouwen die een mannenmaatschappij niet klein kreeg

Cultuur

HUGO POS

Review

Natalie Zemon Davis: Women on the Margins. Harvard University Press; 360 blz. - ¿ 56.

Sibylla, in 1647 in Frankfurt geboren, stamde uit een kunstenaarsmilieu. Haar vader was een bekende schilder en uitgever. Zij begon al vroeg ook zelf te schilderen, bloemen vooral, maar ook rupsen en vlinders en insecten, zij het op de gebruikelijke, conventionele manier.

Op haar zeventiende jaar trouwde zij met Johan Andreas Graff. Ze kregen twee dochters. Het huwelijk was niet gelukkig. Sibylla verliet haar man en met medenemen van haar dochters sloot ze zich aan bij de Labadisten-gemeenschap in Wieuwert, het Nieuw-Jeruzalem.

Daar bleef ze vijf jaar, tot de drang om haar eigen roeping te volgen haar te sterk werd. Ze vestigde zich in Amsterdam en maakte daar kennis met de verzamelingen van gepreserveerde rupsen en vlinders uit Oost- en West-Indië. Maar dat schonk haar niet genoeg voldoening, ze wilde de overgang van rups naar vlinder zien.

Met geleend geld vertrok ze op 52-jarige leeftijd naar Suriname, in het gezelschap van haar oudste dochter. De Labadisten-nederzetting aldaar is dan al op zijn retour.

Sibylla maakte vanuit Paramaribo, geholpen door Indiaanse- en negerslaven, haar speurtochten in de bossen. Ze verdraagt de hitte slecht. Na amper twee jaar keert ze naar Amsterdam terug. Maar die vrij korte periode heeft wel een schat aan materiaal opgeleverd. Daarvan getuigt het boek 'De verzameling der Surinaamse insecten'.

Hoewel haar werk ook door entomologen werd geroemd, kreeg ze, omdat ze een vrouw was, geen toegang tot de universiteit. Wel stond de Hortus Botanicus voor haar open. Zij had inmiddels grote faam verworven. Tsaar Peter de Grote kocht, toen hij een bezoek aan Amsterdam bracht, tientallen aquarellen van haar hand.

Sibylla heeft geen autobiografie nagelaten, er zijn nagenoeg ook geen brieven van haar bekend. Wel heeft ze in haar boek over de Surinaamse insecten bij elke plaat (kopergravure) een duidelijke toelichting geschreven die zo nu en dan licht werpt op haar ervaringen in Suriname. Er valt bijvoorbeeld uit op te maken dat ze een heel direct contact met haar slaven onderhield.

De levensbeschrijving van Glikl bas ('dochter van') Judah Leib begint als ze op veertienjarige leeftijd wordt uitgehuwelijkt aan een koopman in goud, zilver en juwelen. Twaalf kinderen en een gelukkig huwelijk zijn daar het resultaat van. Zij is in 1646 geboren in Hamburg, waar de joden het toen nog betrekkelijk goed hadden. Na de dood van haar man zette zij de zaak voort.

Er volgde een ontmoedigend tweede huwelijk, waarna zij van welstand in armoede verviel. Glikl bas Judah Leib was een godvruchtige vrouw. De stem van Job stijgt op uit haar geschriften, die, geschreven in het jiddisj, bedoeld waren als levenslessen voor haar kinderen en tezamen haar autobbiografie vormen. Om de morele strekking ervan te verkopen voegde zij aan haar relaas kostelijke verhalen uit joodse en niet-joodse bronnen toe.

Het leven van Marie Guyart, geboren in 1599 in Tours, verliep weer geheel anders. Al vroeg weduwe geeft ze gevolg aan een innerlijke roepstem, laat haar zoon van elf jaar achter en treedt in de kloosterorde van de Ursulinnen in. Ze zal haar zoon nooit meer zien.

Haar leven is vervuld van hemelse visioenen en duivelse bezoekingen. Zelfkastijding en boetenkleden vol brandnetels gaan daarmee gepaard. Als ze in 1639 naar Canada vertrekt, wordt ze opgenomen in het Ursulinnenklooster in Quebec. Binnen die omheinde gemeenschap houdt zij zich bezig met onderwijs in het geloof aan Indianen, meest vrouwen. Zij leert hun talen en kan zelfs in hun talen schrijven.

Door haar degelijke bedrijvigheid is er geen plaats meer voor visioenen en zelfkastijding, maar de pijn wegens het verlaten van haar zoon houdt aan.

Wel wisselt ze jarenlang brieven met hem. Voor deze zoon, die inmiddels Benedictijnse monnik is geworden, schrijft zij haar levensgeschiedenis, waarin naast de weergave van haar innerlijke roerselen ook het contact met de Indianen aan de orde komt. Anders dan de meesten van haar tijdgenoten acht zij hen, wat hun innerlijk leven betreft, op zijn minst gelijkwaardig aan de Fransen, ook al missen zij de politesse van deze Europeanen.

Hoewel haar spirituele autobiografie uitsluitend voor haar zoon geschreven was, besluit hij het werk na haar dood in 1677 onder de titel Vie te publiceren: Het leven van Marie de l'Incarnation.

In een proloog laat Natalie Zemon Davis haar drie hoofdfiguren vragen waarom zij besloten heeft, hen in een boek heeft samen te brengen. Het antwoord spreekt uit de titel: 'Women on the Margins'. Marginaal zijn ze, omdat ze alledrie, hoe bescheiden ook, in de zeventiende-eeuwse mannenmaatschappij, zonder tot een aristocratische klasse te behoren, hun begaafdheden hebben weten te ontwikkelen.

Het boek is rijkelijk voorzien van noten. Natalie Zemon Davis is geen begenadigd schrijfster, maar wat ze schrijft is de moeite waard.

Deel dit artikel