Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Voor Juul Kraijer is tekenen bijna een verslaving aan het worden.

Cultuur

door Henny de Lange

Terugblikkend lijkt veel voorbestemd in het leven van kunstenaar Juul Kraijer. Dat ze op haar zestiende met haar vader een bezoek zou brengen aan het Victoria & Albert Museum in Londen en daar in de ban zou raken van de schoonheid van Indiase miniaturen. Dat ze op haar achttiende het boek Indian Love Paintings zou krijgen met daarin een schets van een liefdespaar, die het uitgangspunt zou worden voor al haar tekeningen. Dat ze in 1997 een beurs zou krijgen voor een verblijf in India en daar de kunstenaar Aji V. N. zou ontmoeten, met wie ze inmiddels zes jaar is getrouwd. India loopt als een rode draad door haar leven en werk. “Het heeft er inderdaad wel iets van weg dat het allemaal zo moest lopen“, zegt Kraijer.

Met haar echtgenoot woont Juul Kraijer (1970, Assen) in een bovenwoning in Rotterdam-Noord. In de buurt hebben ze ieder een eigen atelier. Regelmatig reizen ze naar India, waar hij een bekende kunstenaar is en zijn werk - aquarellen - goed wordt verkocht. In Kraijers mysterieuze en poëtische tekeningen, waarin altijd min of meer dezelfde gracieuze vrouwenfiguur wordt verbeeld, zijn de invloeden van deze reizen goed zichtbaar. Ze pakt het boek Indian Love Paintings erbij, dat meteen openvalt - “Kun je zien hoe vaak het daar opengeslagen ligt“ - bij de schets die ze op haar achttiende voor het eerst zag. Hij is gemaakt door een anonieme negentiende-eeuwse kunstenaar uit Guler, een vorstendom in de uitlopers van de Himalaya. Op de schets kun je zien hoe de kunstenaar lijnen heeft weggehaald en weer toegevoegd om de twee figuren zo vloeiend te laten verstrengelen, dat ze een eenheid worden. Ook op de tekeningen van Juul Kraijer is altijd te zien hoe ze heeft zitten gummen en vegen om het lichaam van haar vrouwenfiguur zo vloeiend mogelijk te krijgen. Ze is nog lang niet uitgekeken op die negentiende-eeuwse schets, vertelt ze. “Telkens weer haal ik er inspiratie uit.“

De tekeningen van Juul Kraijer vinden gretig aftrek bij musea en verzamelaars. Op één na zijn alle 21 tekeningen die nu te zien zijn op een tentoonstelling in het Gemeentemuseum Den Haag, al weer verkocht. Er hangen ook twee tekeningen die ze niet wil verkopen. “Dat moet ik echt van te voren bepalen, anders heb ik straks zelfs niets meer.“ Het is een luxe om als jonge kunstenaar zo gemakkelijk te kunnen leven van je werk, beaamt ze. “Maar ik ben er inmiddels aan gewend. Het gaat eigenlijk al jaren zo“, zegt ze, zonder een spoor van arrogantie. Musea overal in de wereld, tot aan het Museum van Moderne Kunst in New York toe, hebben haar tekeningen aangekocht. En dan te bedenken dat de Rietveld Academie in Amsterdam haar niet goed genoeg vond om aan te nemen. Op het nippertje werd ze wel toegelaten tot de Willem de Kooning Academie in Rotterdam. Maar daar heeft ze jaren zitten modderen, vertelt ze. Ze deed de afdeling Illustratie, omdat ze 'heel naïef' dacht dat dat tekenen was. “Ik vond het zulke banale opdrachten die ik kreeg. De leraren waren ook nooit tevreden over wat ik maakte.“ Ook het schilderen was geen succes. Daar was iedereen op de academie het over eens, zij zelf incluis. “Ik vond de lessen wel erg leuk, vooral van Klaas Gubbels heb ik heel veel geleerd. Maar ik maakte zulke vreselijke pathetische dingen.“

Pas in het laatste jaar van de academie kwam het toch nog goed. Ineens vielen alle lessen van Klaas Gubbels op hun plek en ontdekte ze dat ze met houtskool, waarmee ze de voorstudies maakte voor haar schilderijen, wel kon uitdrukken wat ze in haar hoofd had. “Uitsluitend tekenen was not done in die tijd. Je deed het bijvoorbeeld naast schilderen, waarbij schilderen dan de hoofdzaak was. Maar ik realiseerde me ineens dat die schetsen voor mij geen tussen-, maar mijn eindstadium waren.“

Een paar jaar nadat ze cum laude was afgestudeerd, kreeg ze een solotentoonstelling in het Stedelijk Museum Schiedam (1998), gevolgd door een solotentoonstelling in het Stedelijk Museum Amsterdam (2001). In datzelfde jaar mocht ze ook meedoen aan een groepstentoonstelling in het MoMa (Museum voor moderne kunst ) in New York. Drie jaar later kreeg ze een beurs voor een reis naar India, het jaar erop won ze de Charlotte Köhlerprijs, gevolgd door de Pendrecht Cultuurprijs (2000) en de Philip Morris Kunstprijs (2004). Dat het haar zo voor de wind gaat, is volgens Kraijer een combinatie van 'geluk en hard werken'.

Net zoals Klaas Gubbels, haar favoriete leraar op de kunstacademie, al zijn hele leven koffiepotten en tafels en stoelen tekent en schildert en daar nog steeds niet op is uitgekeken, zo domineert een levensgrote afbeelding van een vrouw of een vrouwenhoofd de tekeningen van Kraijer. Ze tekent altijd dezelfde vrouwengestalte, al zijn de gelaatstrekken in de loop der jaren wel wat veranderd. Waren die aanvankelijk wat Japans, later volgden ook negroïde vrouwen, maar uitgesproken individuen zijn het nooit. Ze hebben altijd iets neutraals, iets universeels. Ze tekende eerst alleen op lichtgeel papier, maar op de expositie hangt ook haar recente werk op gekleurd papier.

Haar tekeningen intrigeren omdat ze vaak aan het absurde grenzen: een vrouwenfiguur opgebouwd uit een school vissen, een gezicht bedekt met ontelbare glinsterende druppels, een hoofd 'begroeid' met oren, een vrouwenlijf waar doornstekels uitgroeien of overdekt met vulkanische landschappen. Sommige van haar wezens doen denken aan mythische monsters, andere stralen een serene zuiverheid uit. Ze werkt vrijwel uitsluitend met houtskool en krijt en maakt hooguit twintig tekeningen per jaar. Titels verzint ze nooit, omdat ze niet onder woorden kan brengen waar haar tekeningen over gaan en woorden ook nooit de welsprekendheid van haar beelden zouden kunnen evenaren.

Een lastig moment voor een perfectionist als Kraijer is altijd de vraag wanneer een tekening af is. Eindeloos kan ze blijven schaven. “Maar je moet een keer bepalen dat het zo goed is. Ik heb daar een truc voor bedacht. Ik stel me voor dat het jarenlang in mijn woonkamer komt te hangen en of ik het dan nog verdraagbaar zou vinden. De uiteindelijke 'fine'-tuning', het verwijderen van de ruis is bij mij zeer essentieel.“

Sinds kort maakt ze ook beelden, gebaseerd op haar eigen tekeningen. Ze bekwaamde zich in India in de traditionele houtsnijtechniek om tot de conclusie te komen dat hout niet haar materiaal is. Bij het Europees Keramisch Centrum in Den Bosch, waar ze enkele maanden verbleef, ontdekte ze dat klei haar beter ligt. Inmiddels heeft ze vier beelden gemaakt. Ze sluit niet uit dat er in de toekomst meer volgen. Maar tekenen blijft het belangrijkste in haar leven. “Het is bijna een verslaving geworden.“

Deel dit artikel