Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Vijf joodse families onder Mussolini

Cultuur

LEONTINE VEERMAN

Review

Benevolence and Betrayal. Five Italian jewish families under fascism, Alexander Stille. Uitg. Jonathan Cape, Londen, 365 blz. 75,80. Imp. Roodveldt.

Bij de geboorte van kleinzoon Riccardo, herhaalde Ettore, deelnemer aan Mussolini's mars naar Rome, de geloofsbelijdenis van zijn vader. Boven de wieg hing hij de Italiaanse vlag, daarnaast de naam van God (in het Hebreeuws) en terwijl hij daarmee bezig was, trok er op straat een militair orkest voorbij dat het fascistische lied Giovinezza (Jeugd) speelde: Riccardo leek, net als het nieuwe Italie, onder een gelukkig gesternte geboren.

Over Ernesto en zijn zoon Ettore en over vier andere joodse families onder het Italiaans fascisme gaat Benevolence and Betrayal van de Amerikaan Alexander Stille. Wat het verhaal van de ruim 45 000 Italiaanse joden in oorlogstijd anders maakt dan dat van de joden elders in Europa, is die betrekkelijk goede relatie tussen joden en het fascisme. Mussolini was al zestien jaar aan de macht voordat hij anti-semitische wetten uitvaardigde en een onderscheid maakte op grond van ras. Het begrip ras, had hij daarvoor opgemerkt, is vooral een gevoel, geen realiteit en de natie kan goed zonder dat begrip.

Maar dat was in dezelfde tijd dat hij Hitler nog met een grammofoonplaat vergeleek die telkens hetzelfde liedje liet horen, en dat hij tegenover Nahum Goldmann, de voorzitter van het Joods Wereldcongres, verklaarde "ook een zionist te zijn."

Eenmaal het verbond met Hitler aangegaan, ging Mussolini mee in diens antisemitisme en liet hij bekendmaken dat joden niet tot het Italiaanse ras behoorden - niet zozeer door biologische eigenschappen alswel op historische, religieuze en nationale gronden. Vanaf juli 1938 mochten joden geen lid meer zijn van de fascistische partij, geen openbare ambten uitvoeren, geen ondernemingen bezitten, geen openbaar onderwijs meer volgen en niet meer trouwen met niet-joden.

Aanvankelijk werd er nog een onderscheid gemaakt tussen 'trouwe' en 'ontrouwe' joden: voor trouwe joden - mannen die in de eerste wereldoorlog hadden meegevochten of bijzondere leden van de fascistische partij - golden de meeste maatregelen niet. Zij werden op ironische wijze discriminati genoemd en waren daar nog opgetogen over ook, omdat ze dachten dat hun diensten voor het vaderland niet zouden worden vergeten en dat er nog hoop was.

Niet voor lang, want in november 1938 werd het verschil teniet gedaan. In 1940, na het uitbreken van de oorlog, volgde een tweede reeks anti-semitische maatregelen, maar van vervolging was geen sprake. Pas na de val van het fascisme en de Duitse bezetting in september 1943 vonden de eerste arrestaties en deportaties plaats.

Stille heeft een prachtig boek geschreven, gebaseerd op gesprekken, brieven en dagboeken, waarin hij aan de hand van vijf families laat zien hoe verschillend de positie en ervaring van de Italiaanse joden tijdens het fascisme is geweest. Dat begint met het verhaal van de Ovazza's uit Turijn, met Ettore als meest overtuigd lid van de fascistische partij, tevens oprichter van een joods fascistisch weekblad La Nostra Bandiera (Onze Vlag) dat een oplage van ruim 2000 had.

Na de afkondiging van de eerste anti-semitische maatregelen schreef Ettore met trillende hand een brief aan de leider, waarin hij vroeg niet te worden uitgesloten van het lot van de natie. Waren echter de rassenwetten een noodzakelijk offer, dan was Ettore bereid dat offer te brengen en met hem een groot deel van de joodse gemeenschap in Turijn.

Het spiegelbeeld van de Ovazza's vormt de anti-fascistische familie Foa uit dezelfde stad, die in een even geassimileerde omgeving leefde en in eenzelfde sfeer van kosmopolitisme die typisch was voor het joodse leven in de grote steden in het noorden van het land. Vanuit het noorden was het streven naar de hereniging van Italie op gang gekomen, daar had de koning in 1848 relatief vroeg de bevrijding van de joden uit het getto goedgekeurd en daar ook had de emancipatie van de joden in snel tempo plaatsgevonden.

In Rome daarentegen, decor van het derde verhaal van Stille, was het gettoleven ook na de formele afbraak van de muren (in 1870) gewoon doorgegaan. De meerderheid van de bevolking leefde als straathandelaar, winkelier of naaister, was diep religieus en sterk verbonden met de traditie van de gemeenschap.

Politiek speelde in die omgeving nauwelijks een rol, zij het dat net als in de andere joodse gemeenschappen de verbondenheid met, de dankbaarheid jegens en de trouw aan het koningshuis groot was. Deze arme gemeenschap werd zwaar getroffen door de anti-semitische (economische en financiele) maatregelen en was later, na de Duitse bezetting, opnieuw een kwetsbaar doelwit omdat bijna 6 000 joden op een klein oppervlak bij elkaar woonden.

Op wonderbaarlijke wijze konden de Romeinse joden in eerste instantie nog ontsnappen aan het joodse lot door te voldoen aan het eerste ultimatum dat de Duitsers eind september 1943 stelden: vijftig kilo goud, anders tweehonderd joodse gijzelaars. Mensen stonden trouwringen af, sieraden, sigarettendozen of kandelaren en binnen 24 uur was het gevraagde gewicht gehaald.

Maar net als in het geval van de discriminati duurde de illusie van veiligheid niet lang. Half oktober werden in het getto de eerste arrestaties verricht en begon voor een groot aantal mensen een periode van onderduik - een periode die zich volgens Stille alleen laat kenmerken door de enorme ambivalentie in de houding van niet-joden en joden, een mengsel van medelijden en hulp, verraad, vervolging en redding.

Een eenduidige historische theorie kan Stille er niet aan ontlenen; eerder wil hij het boek, dat een verzameling individuele verhalen is, laten dienen als een tegenstof voor generalisaties.

Deel dit artikel