Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Victorianen waren zo gek nog niet

Cultuur

Monica Soeting

Review

Denkt u ook dat alleen wij in een snel veranderende samenleving wonen? En dat er nooit eerder een tijd heeft bestaan als de onze - zo vol snelle technische ontwikkelingen, ingrijpende sociale gebeurtenissen als migratie, emancipatie en toenemende agressie? Think again, zoals de Engelsen zeggen, en zoals de Engelsen doen, want de laatste jaren is er in Engeland een flinke herwaardering van het verleden aan de gang, vooral van de Victoriaanse tijd.

In de oude Tate Gallery werd vorig jaar een tentoonstelling gehouden over het 'Victoriaanse naakt', die duidelijk maakte dat de Victorianen helemaal niet zo preuts waren als wij altijd dachten. Een uitzending die de BBC aan de tentoonstelling wijdde, liet zien dat koningin Victoria en haar man prins Albert elkaar bij voorkeur beeldhouwwerken van naakte dames cadeau deden -klassieke naakte dames weliswaar, die het meest prikkelende lichaamsdeel met een lapje stof of een strategisch gekozen palmtakje bedekten, maar toch: naakten. En dat voor een koningin over wie nog steeds het verhaal de ronde doen dat zij de poten van haar piano's met hoezen liet bedekken, opdat die niemand aan blote vrouwenbenen zouden doen denken.

Think again was ook het motto van een BBC-serie die was gewijd aan de vele uitvindingen die er in de negentiende eeuw zijn gedaan. In het boek dat tegelijk verscheen, vertelt Adam Hart-Davis enthousiast over de verfijning van de stoommachine, de invoering van de elektriciteit en de vooruitgang die er op het gebied van de medicijnen werd geboekt. Voor de meeste Victorianen waren al die nieuwe uitvindingen niet minder ingrijpend dan de invoering van de persoonlijke computer in onze tijd. Je hoeft er de romans van de grote Victoriaanse schrijvers maar op na te slaan om te zien hoe snel en hoe hevig de nieuwe machines de levens van bijna alle negentiende-eeuwse Britten veranderden.

Veertig jaar na het begin van de industriële revolutie beschreef George Eliot in 'Middlemarch' hoe het Engelse platteland aan het begin van de negentiende eeuw haar oude structuren verloor. Mrs Gaskell vertelde in 'Mary Barton' over de onvoorstelbare armoede en ellende die de volksverhuizing van de dorpen naar de nieuwe industriesteden met zich meebracht. Aan de andere kant liet Eliot ook zien dat alle nieuwe denkbeelden en technieken voor de meeste mensen uiteindelijk een grotere welvaart, een betere gezondheid en betere opleidingen betekenden.

Charles Dickens belichaamde de gemengde gevoelens waarmee dergelijke ontwikkelingen in de regel gepaard gaan. Zijn romans zijn geen realistische verbeeldingen van zijn tijd, maar drukken een vaak irrationele angst voor de snel veranderende samenleving uit. Ze verwoordden vooral het verlangen naar een mythische gouden tijd waarin alles zo was zoals het hoort te zijn - een mythe die tegenwoordig op de jaren vijftig van de vorige eeuw wordt geprojecteerd, en die Dickens in de decennia vóór de industrialisatie situeerde.

Om die tijd zo rozig mogelijk te doen lijken, argumenteert Matthew Sweet in 'Inventing the Victorians' (een boek geheel gewijd aan alle misvattingen over de Victoriaanse tijd), moest Dickens zijn eigen tijd zo afschrikwekkend mogelijk afschilderen. Daarom beschreef hij bijvoorbeeld het Londense East End als een verzameling opiumhuizen, geleid door uitgeteerde Chinezen en hun hologige Engelse liefjes, terwijl er volgens Sweet in Dickens' tijd in heel Londen slechts één zo'n uitbaterij te vinden was.

Dickens' romans, schrijft Sweet, ,,staan vol met portretten van kindermishandelaars, een neurotisch restant van de periode waarin hij als twaalfjarige in een verffabriek werkte -een leeftijd die zijn eigen generatie net zozeer als de generaties vóór hem volkomen normaal achtte''.

Sweet wijst erop dat Dickens gemakshalve voorbijging aan het feit dat er al in de eerste jaren van de negentiende eeuw tegen kinderarbeid werd geprotesteerd, en dat er vanaf de jaren dertig doorlopend allerlei wetten werden ingevoerd die kinderen tegen uitbuiting moesten beschermen. Niet dat Sweet ontkent dat er verschrikkelijke dingen gebeurden in de negentiende-eeuwse fabrieken. Hij laat alleen zien dat het een niet zonder het ander bestond: waar mensen werden mishandeld, uitgebuit of onderdrukt, waren er altijd anderen te vinden die voor hun bevrijding vochten -ook in de Victoriaanse tijd.

Hetzelfde geldt voor allerlei andere misstanden. Aan de ene kant van het spectrum had je onvoorgelichte meisjes die geen idee hadden wat hun op de huwelijksnacht te wachten stond, en aan de andere vrijgevochten vrouwen die het met de moraal niet zo nauw namen. Dat sommige dames het woord 'been' niet in de mond durfden te nemen, is waar, zegt Sweet, maar met zulke preutsigheden werd ook door hun tijdgenoten al hevig de draak gestoken. Wie de Victorianen als benepen en bekrompen beschouwt, die moet, jawel, nodig anders gaan denken: we beschouwen ze als racisten, maar ondanks de vele grote immigratiestromen kenden ze geen anti-immigratiewetten; we denken dat ze geen pleziertjes kenden, maar het massatoerisme werd in die tijd uitgevonden, en hallucinerende middelen kon je bij elke drogist zonder recept tegen een geringe prijs aanschaffen.

En wie denkt dat de huidige jeugd door gewelddadige films en videospelletjes wordt bedorven, die moet de bladen van de sensatiepers uit die tijd maar eens bekijken. Sigarenboeren verkochten posters van seriemoordenaars, en sensatieromans -Sweet noemt 'The Woman in White' uit 1860 en 'Lady Audley's Secret' uit 1862- stonden zo boordevol seks en geweld dat zwartkijkers ervan overtuigd waren dat ze tot drankmisbruik, waanzinnigheid of copycat-misdaad aanzetten -het imiteren van misdaad.

Net als Hart-Davis prijst Sweet de ijver van de negentiende-eeuwers. Laten we niet vergeten, zegt hij, dat zij de huizen bouwden waarin de meeste Britten nog steeds wonen, de tunnels waardoor ze naar hun werk rijden, de rioleringen waarmee hun excrementen worden afgevoerd en de musea waar ze hun zondagmiddagen doorbrengen.

Met diezelfde roep om rehabilitatie presenteert ook de historicus Simon Schama op het ogenblik een serie over de Britse geschiedenis sinds het eind van de achttiende eeuw. De grote vraag is daarom: waarom is er in Engeland op het ogenblik zoveel aandacht voor de Victoriaanse tijd? Het meest voor de hand liggende antwoord is dat het vorig jaar honderd jaar geleden was dat koningin Victoria stierf en het Victoriaanse tijdperk dus officieel ten einde liep. Dat verklaart echter hoogstens de extra aandacht voor die periode in de Britse geschiedenis, maar niet het enthousiasme waarmee men haar van alle vooroordelen ontdoet.

Misschien komt dat enthousiasme voort uit dezelfde angst die Dickens aanzette tot de verheerlijking van het pre-industriële Engeland: kijk, vroeger was het allemaal zo slecht nog niet en in sommige opzichten was het honderdvijftig jaar geleden allemaal beter dan nu. Maar ook dat lijkt een al te simpele uitleg. Hart-Davis, Sweet en Schama wijzen wel degelijk ook op de misstanden uit de negentiende eeuw. Ze zijn niet blind voor de sociale en technische verbeteringen die er in de twintigste eeuw werden ingevoerd. Wat ze willen laten zien, is dat er in de Victoriaanse tijd niet slechts één mening, één moraal en één geloofsovertuiging bestond.

,,Dit boek'', schrijft Sweet in zijn woord vooraf, ''is een poging om de Victorianen in een nieuw daglicht te stellen: om op een nieuwe manier tegen overgedragen ideeën over hun cultuur aan te kijken; om mythe van realiteit te onderscheiden; om de weg vrij te maken voor een nieuwe verhouding tussen de negentiende-eeuwers en onszelf.'' Daarmee doet Sweet iets dat niet alleen voor Britten belangrijk is. Als ook wij onze vooroordelen over de negentiende eeuw eens beter zouden bekijken, zou ons dat op een plezierige en vooral niet bedreigende manier in staat stellen onze eigen mythes van de feiten los te maken. Dan zouden we realiseren dat de meeste autochtonen afstammen van de grote groepen immigranten die in de negentiende eeuw in Nederland arriveerden, dat ons land ook in die tijd door veel mensen al vol werd verklaard, en ook toen de media verantwoordelijk werden gehouden voor excessief geweld.

De leegloop van kerken en het tanende enthousiasme voor het koningshuis zouden niet tot allerlei paniekreacties over een vermeend verlies van normen en waarden leiden: in de negentiende eeuw werd het machtsverlangen van de Oranjes stevig aan banden gelegd en ook in die tijd werd over de leegloop van de kerken geklaagd. ,,De enige plicht die we tegenover de geschiedenis hebben, is haar te herschrijven'', zei een van de beroemdste Victorianen, de notoire Oscar Wilde. Het zou vanwege de clichés die er op dit moment over onze eigen samenleving de ronde doen, geen kwaad kunnen als ook wij die plicht serieus namen.

Deel dit artikel