Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Vertellingen over het hooggebergte

Cultuur

John Graat

Review

In de aanloop naar het eeuwfeest van de Tour de France verschijnt veel nieuwe wielerliteratuur. In een serie over deze boeken vandaag deel 6: de bergen in de Tour.

Om de hang naar het grote lijden te bevredigen, besloot Tourdirecteur Henri Desgrange in 1910 de renners voor het eerst het hooggebergte in te sturen. In de etappe van Luchon naar Bayonne over 326 kilometer stonden vier grote Pyreneeën-reuzen op het programma. Desgrange durfde niet te voorspellen hoe en of ze deze tocht over geitenpaden zouden overleven. Hij stuurde zijn medewerker Victor Breyer de bergen in.

Breyer moest heel lang wachten op renners, bovenop de Col d'Aubisque. Hij kreeg het gevoel dat de Tour op een drama afstevende. Na uren kwam eindelijk een onbekende renner op de top, Francois Lafourcade. Zestien minuten later meldde de later etappe- en Tourwinnaar Octave Lapize zich te voet op de Aubisque. ,,Jullie zijn moordenaars'', sprak Lapize historische woorden. Slechts tien man zouden die dag binnen de tijdslimiet binnenkomen. Desgrange besloot barmhartig over zijn hart te strijken. Alle 49 mochten de volgende dag starten.

Desgrange beschreef de prestaties in de lyrische volzinnen. De bergen gaven de interesse voor de Tour een geweldige impuls. Een jaar later durfde hij het aan de renners ook de Alpen in te sturen. Op 10 juli 1911 schreef Desgrange in zijn eigen krant L'Auto een 'Akte van verering'. Hij had de beklimming van de Galibier met eigen ogen gevolgd en kwam tot de vaststelling dat de fiets in de geschiedenis van de mensheid de eerste geslaagde poging was om de wetten van de zwaartekracht te weerstaan.

De Alpen en Pyreneeën zijn sindsdien nooit meer weggeweest uit de Tour. De romantiek van het lijden, waar de aantrekkingskracht van de wielersport op gebaseerd is, was nergens mooier dan in het hooggebergte. In de afgelopen eeuw werden op al die cols -Tourmalet, Aubisque, Galibier, Puy-de-Dôme, Mont Ventoux, Peyresourde- in de Ronde van Frankrijk ontelbare meeslepende, dramatische en kolderieke verhalen geboren.

Al deze verhalen zijn samengebracht in 'Triomf en tragiek op de Tourcols. Als de flanken konden spreken', geschreven door de wielerjournalisten Raymond Kerckhoffs (De Telegraaf) en de Vlaming Robert Janssens. Het boek is een combinatie van feitelijke informatie (naamverklaring, geschiedenis, toerisme, grafieken met stijgingspercentage) met een enorme verzameling anekdotes en vertellingen over gebeurtenissen op deze cols. De auteurs spraken met veel hoofdrolspelers.

Veel grote verhalen zijn legendarisch. De superioriteit van Bahamontes, de verschrikkelijk inzinking van Merckx, de val van Wim van Est in het ravijn en de dood van Tom Simpson en Fabio Casartelli.

Minder bekend zijn de petit-histoires die in het boek worden opgepoetst. In 1911 werd getracht favoriet Paul Duboc in de Pyreneeën met een drinkbus rattengif uit te schakelen. Jean Robic bedacht in de jaren vijftig een oplossing voor het tijdverlies dat hij als lichtgewicht altijd opliep in afdalingen; de Fransman plaatste boven op een col bidons gevuld met tien kilo lood op zijn stuur. En er is het droevige verhaal van de Italiaan Carlo Tonon die in 1994 in de afdaling van de Joux-Plane tegen een toerfietser botste, in coma raakte, zwaar gehandicapt werd en in 1996 zelfmoord pleegde. Uit 'Triomf en tragiek op de Tourcols' -een ideaal boek om straks de lange uitzendingen van de bergetappes mee door te komen- blijkt dat het met veel beroemde klimmers niet goed afliep. Ook niet met de pioniers uit 1910. Zowel Lafourcade als Lapize sneuvelde aan het front in de Eerste Wereldoorlog.

Deel dit artikel