Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Vakwerkhuizen branden beter

Cultuur

Gerbert van Loenen

Review

Het is voor Duitsers van nu een dagelijkse herinnering aan de oorlog: hun moderne, na 1945 wederopgebouwde steden. Maar hoe de oudere generatie die bombardementen heeft beleefd, en wat eigenlijk het doel was van dat geallieerde geweld, is nu pas onderwerp van verhit debat geworden. Was Churchill een oorlogsmisdadiger?

Als de sirenes gingen loeien, vluchtten Duitse stadsbewoners hun kelders in. Veel beschutting boden die niet. Om te beginnen was er de kans op een voltreffer. Gevaarlijker nog was het moment waarop de mensen de kelders verlieten. Gingen ze te vroeg naar buiten, dan konden ze getroffen worden door een bom met tijdmechanisme, die pas na enige tijd ontplofte. Bovendien kwam er soms na een korte pauze een tweede aanval, om de uit hun schuilplaats gekropen mensen alsnog te doden.

Maar te laat uit de schuilkelder komen was zo mogelijk nog gevaarlijker. Als de bommenwerpers allang weg waren, woedde immers nog de brand. Jörg Friedrich schrijft in zijn opzienbarende boek over de bombardementen op Duitslands steden: ,,De kelder nam na enige tijd de hitte van buiten aan en werkte als een crematorium, of vulde zich onmerkbaar met dodelijke verbrandingsgassen' Het is niet de enige keer dat Friedrich, door een woord als 'crematorium' te gebruiken, een overeenkomst suggereert tussen Holocaust en bombardementen - al wordt die vergelijking nergens expliciet. Toch is daarop in Duitsland nauwelijks gereageerd. Dát Friedrich überhaupt aandacht heeft voor Duitsers als slachtoffers heeft al een heftig debat doen ontstaan. Conservatieven verwijten de linksen dat die Duitsers alleen als daders hebben willen zien en links antwoordt dat het onzin is te doen alsof de Duitsers hun eigen leed al die jaren onder stoelen of banken hebben gestoken.

In werkelijkheid lijken beide kampen gelijk te hebben. Links, want inderdaad zijn de gebombardeerde steden zelfs nu nog een onderwerp dat in het dagelijks leven steeds weer wordt aangestipt. Maar ook de conservatieven hebben gelijk, want stelselmatig onderzocht of uitgebreid beschreven is het verdwijnen van Duitslands steden nooit. De inmiddels overleden schrijver W.G. Sebald merkte zes jaar geleden al op dat in de Duitse literatuur van na 1945 de pijn van de gebombardeerde steden helemaal niet terugkomt.

Friedrichs probeert de ervaringen van de slachtoffers recht te doen. Hij laat bovendien zien hoe het zo ver kon komen. Aanvankelijk hadden de Britten gepoogd militaire doelen, zoals wapenfabrieken en havens, te treffen. Maar wegens gebrek aan succes werden de militaire doelen in februari 1942 verwisseld voor dichtbevolkte binnensteden. De nieuwe aanpak werd voor het eerst uitgeprobeerd op Lübeck, dat, aan zee gelegen, makkelijk te vinden was voor de piloten, en dat grotendeels uit goed brandbare vakwerkhuizen bestond. De nieuwe aanpak slaagde. Oude binnensteden met smalle straten bleken veel makkelijker te verwoesten, door met explosieven eerst de daken op te tillen zodat de zuurstof erbij kon en vervolgens brandbommen af te werpen. Ter voorbereiding van hun aanvallen bestudeerden de geallieerden zelfs de gegevens van Duitse brandverzekeringen om de brandbaarheid per buurt te bepalen. Industrie daarentegen, met haar open ruimten en stevige constructies, bleek nauwelijks uit te schakelen. Toen de Amerikanen in 1945 Keulen en Essen binnentrokken, waren vrijwel alle huizen weg, maar draaiden de meeste grote industrieën nog steeds door.

Alleen Berlijn bleek, met zijn brede wegen en monumentale gebouwen, slecht te branden. Ondanks tientallen bombardementen werd de nazi-hoofdstad dan ook slechts voor een derde geheel verwoest en voor een derde beschadigd. Een oude vakwerkstad als Halberstadt daarentegen brandde al na één bombardement geheel af.

De Britten begonnen hun luchtaanvallen in uiterste nood. In 1940 en 1941 was vrijwel heel Europa in handen van de nazi's, Londen werd door de Duitsers bestookt, de Sovjet-Unie was bevriend met Duitsland, en in de VS was, zo bleek uit opiniepeilingen, slechts 7,7 procent van de mensen bereid de Britten te hulp te schieten. Met de rug tegen de muur greep Londen naar het wapen waarvan al sinds de Eerste Wereldoorlog was verwacht dat het de volgende oorlog zou beslissen: de luchtmacht.

De Britse luchtaanvallen kwamen echter moeizaam op gang. De verliezen waren in de eerste jaren enorm. De mensen in de bommenwerpers van Bomber Command, gemiddeld 21 jaar oud, waren vrijwilligers die hadden getekend voor dertig missies. In 1943 hadden zij een overlevingskans van 1 op 6.

Langzamerhand keerden echter de kansen. Begin 1945 was er nauwelijks nog Duitse luchtafweer en daarmee stegen de overlevingskansen voor de bemanningen enorm. Terwijl de geallieerde landstrijdkrachten op dat moment nog volop problemen hadden op te rukken, hadden de geallieerden in de lucht met 10000 bommenwerpers een enorme overmacht.

Nu bleek de luchtoorlog, eenmaal goed op gang gekomen, nauwelijks nog te stoppen. Meer dan de helft van de door de Britten afgeworpen tonnage viel in de laatste negen maanden, tal van steden zijn vlak voor het einde van de oorlog verwoest.

Uiteindelijk werden vrijwel alle Duitse steden getroffen. Duitsland verloor, op een handjevol na, al zijn binnensteden. In vergelijking met Rotterdam zijn Duitse steden vaker -soms 299 keer zoals Duisburg- en op veel grotere schaal gebombardeerd. Afgezet tegen de verwoesting, valt het sterftecijfer mee. Gemiddeld stierf volgens Friedrich ongeveer 1,5 procent van de stadsbevolking. Dat zijn, maar nauwkeurig onderzoek heeft nooit plaatsgevonden, ongeveer een half miljoen mensen. Van de Britse bemanningen overleed 44 procent, ofwel 55000 mensen.

Het doel van de bombardementen, het breken van het moreel in de hoop Hitler zijn achterban te ontnemen, is nooit bereikt. Toen de Amerikanen de eerste Duitse steden binnentrokken, troffen zij geen opstandige, maar apathische mensen aan. ,,Er was een allesoverheersende behoefte aan slaap, en geen enkele om Hitler ten val te brengen', merkt Jörg Friedrich droog op.

Bedenkingen tegen de bombardementen waren er tijdens de oorlog wel aan Britse zijde. ,,Ik heb vaak besloten dat ik de morele plicht had de straat op te rennen om het Britse volk te vertellen welke domheden in zijn naam werden begaan. Maar ik had er de moed niet toe. Ik heb tot het eind in mijn kantoor gezeten en berekende hoe je zo efficiënt mogelijk nog eens 100000 mensen vermoordt', schreef de Britse natuurkundige prof. Freeman Dyson, die voor Bomber Command werkte. Heel anders reageerde de Labour-afgevaardigde Purbrick, die op 7 februari 1945 de regering vroeg waarom Würzburg en Dresden nog niet waren gebombardeerd. Hij zou nog voor het einde van de oorlog zijn zin krijgen. Zo verdween op 16 maart 1945 de oude barokstad Würzburg voor negentig procent na een bombardement van slechts zeventien minuten. ,,Mevrouw F. droeg haar man in een weckglas (...)', vertelde een pastor na afloop. ,,Aan het verbrande, maar goed herkenbare spoorweg-horloge dat in de zak stak, had de vrouw haar man herkend.' Bij dit citaat ontbreekt overigens, zoals steeds in Friedrichs boek, de bronvermelding.

Waren die bombardementen nu fout? Moeten Nederlandse gemeenten hun Churchill-lanen omdopen? Jörg Friedrich suggereert het voortdurend, maar concludeert het nergens: dat Winston Churchill een oorlogsmisdadiger was.

Zeker is in ieder geval dat de geschiedenis van de bombardementen op Duitse steden nog onvoldoende onderzocht is. Friedrichs boek is, hoe aangrijpend ook, echter te suggestief geschreven om het standaardwerk te kunnen worden dat die leemte vult.

Deel dit artikel