Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Schrijfster Maryse Condé ontvangt de alternatieve Nobelprijs. ‘Literatuur is geen wapen’

Cultuur

Mineke Schipper

Maryse Condé © Hollandse Hoogte
Essay

De hoogste boeken-eer is de Nobelprijs. Die is dit jaar niet uitgereikt. Maryse Condé ontving deze week in Zweden de alternatieve Nobelprijs. Vriendin Mineke Schipper was erbij.

Het sloeg in als een bom: de grootste literatuurprijs wordt dit jaar niet uitgereikt. Zo’n honderd Zweedse intellectuelen vormden daarop een Jury van de alternatieve Nobelprijs, brachten via een ton bijeen (de echte levert bijna een miljoen op) en wezen een winnaar aan. Volgens hen moet literatuur ‘staan voor democratie, openheid, empathie en respect’, zeker nu menselijke waarden onder druk staan. De winnaar heet Maryse Condé.

Lees verder na de advertentie

Het begon allemaal met het lezen van Emily Brontë’s ‘Wuthering Heights’, het boek dat ze als jonge tiener verslond in een Franse vertaling, zegt ze in haar dankrede in Stockholm. Dat boek greep haar enorm aan, ook al kwam het uit een volstrekt andere wereld dan de hare. Opeens wist ze dat ze schrijfster wilde worden, maar in haar omgeving nam niemand dat serieus: ze kon het maar beter uit haar hoofd zetten. Ook nadat ze al een aantal romans had gepubliceerd, bleef die negatieve stem uit haar jeugd in haar hoofd meeklinken. Dat maakte het schrijven zwaar, maar haar man en vertaler, de Engelsman Richard Philcox, met wie ze al bijna een halve eeuw haar leven deelt, geloofde in haar. Dankzij zijn Engelse vertalingen kreeg ze steeds meer bekendheid buiten Frankrijk. Ze draagt de eervolle prijs op aan haar land van herkomst, het eiland Guadeloupe, een straatarm eiland waarvan ze nog altijd hoopt dat het ooit welvarend en onafhankelijk zal worden.

Waarom zouden alle zwarten een negritude gemeen hebben?

Misschien was Maryse Condé nooit naar Afrika gegaan als zich niet dat drama van een ongewenste zwangerschap had voorgedaan. De Franse Internationale Samenwerking stond nog in de kinderschoenen. Als een van de eerste co-opérants trok ze met haar zoontje Denis naar naar Afrika. Daar kreeg ze nog drie dochters met haar Afrikaanse echtgenoot Condé. Het vertrek naar een ander werelddeel bood haar een uitweg, werk als docent en persoonlijke vrijheid: een soort renaissance, noemde ze het zelf eens. Haar Antilliaanse ouders hadden het nooit over Afrika, ze noemden zichzelf Grands Nègres en deden hun best zich ‘zo wit mogelijk’ te gedragen.

Grande dame

De schrijfster werd in 1934 geboren op het eiland Guadeloupe (Franse Antillen). Ze studeerde in Parijs en werkte vanaf 1959 in West-Afrika. In 1972 keerde ze terug naar Frankrijk, later naar Guadeloupe. Een tijdlang verdeelde ze haar leven tussen Parijs en New York waar ze les gaf aan Columbia University en werkte aan een indrukwekkend oeuvre: toneelstukken, essays en vooral romans.

Pas in de jaren vijftig ontmoette ze tijdens haar studie in Parijs voor het eerst Afrikanen. Sommige Franstalige studiegenoten bleven in haar ogen hangen in de verheerlijking van de negritudebeweging die het Caraïbisch gebied en West-Afrika zou verbinden dankzij drie ‘vaders’: Aimé Césaire (dichter en toneelschrijver, Martinique), Léon Damas (dichter, Frans Guyana) en Leopold Sédar Senghor (dichter en later president van Senegal). Geleidelijk ontdekte ze, naast de poëtische schoonheid, ook de beperkingen van deze literaire stroming.

Ik ontmoette de grande dame van de Caraïbische literatuur voor het eerst in 1973 in de rue des Ecoles in Parijs, bij Présence Africaine, de uitgeverij van het gelijknamige internationale tijdschrift waarin mijn eerste publicatie net was verschenen - over de Antilliaanse dichter Aimé Césaire, een van de drie negritude-vaders. Maryse werkte bij Présence, en Césaire was de auteur die haar Antilliaanse generatie had beïnvloed, vertelde ze me die middag bij de lunch.

Ik werkte aan mijn promotieonderzoek over beelden van Europeanen in Afrikaanse romans. Wat wij van anderen vinden, weten we, maar wat zeggen anderen over ons? Dat onderwerp interesseerde haar hevig. Zo begon een hechte vriendschap. Datzelfde najaar kwam ze naar Amsterdam om mijn promotie bij te wonen. In de jaren daarna bezorgde de post mij geregeld een nieuw boek van haar hand.

Maryse Condé maakt de lezer vertrouwd met onwennige ideeën

Wat zocht ze in Afrika? Die vraag bleek niet te beantwoorden. Alvorens een aantal ingrijpende jaren in dat werelddeel door te brengen was Afrika voor haar een weinig concreet objet littéraire. De négritude (ontstaan in Parijs) was in de Franse context een logisch antwoord op de koloniale geschiedenis, maar in Afrika bleek deze stroming alleen een handvol literatuurstudenten aan te spreken. En militaire staatsgrepen leverden dictatoriale regimes op die gewone mensen onderdrukten, zoals Condé meemaakte in Guinée en Ghana, en ik in Congo. Negritude kon je nergens eten!

Vernis van huidskleur

Over de negritudebeweging hebben we lang doorgepraat, nadat ik in 1974 de Senegalese president-dichter Léopold Sédar Senghor had geïnterviewd, toen hij te gast was bij koningin Juliana. Hij benadrukte de noodzaak van dialoog, een gelijkwaardig overleg van Europa met de Arabische en Afrikaanse wereld. Ondanks de vele kritiek uit Afrika, onder anderen van Wole Soyinka met zijn fameuze uitspraak dat de tijger ook niet praat over zijn tigritude - bleef Senghor altijd vierkant achter zijn geesteskind staan: “Zolang er Afrikanen zijn, zal er negritude zijn. Zolang er een Nederlandse staat is en een Nederlandse cultuur, zolang zal er Neerlanditeit bestaan. Tacitus had het al over de kracht van de Bataven en die kracht zie je terug in genieën als Frans Hals, Rembrandt of Vermeer.” Maar waarom zou Nederland recht hebben op een unieke (‘Bataafse’) Neerlanditeit, terwijl wereldwijd zwarte mensen één gemeenschappelijke negritude met elkaar moesten delen? Die vraag bedacht ik pas toen ik over zachte tapijten de sjieke zaal in het Paleis op de Dam alweer uitliep.

Maryse Condé © Hollandse Hoogte

Nadat ze het werk van Frantz Fanon, psychiater en vrijheidsstrijder, had bestudeerd, was Maryse Condé klaar met de negritude: in de poëzie van Césaire kon je blijven dromen, vond ze, maar Fanon liet zien hoe al die aandacht voor dat vernis van huidskleur verhult wie mensen zelf zijn, want wat hebben een zwarte Zuid-Afrikaan en een Jamaicaan eigenlijk gemeen? Volgens Fanon kun je je pas bevrijden door niet langer te geloven dat zwarten allemaal hetzelfde zijn. Daar was ze het grondig mee eens, zei ze in een interview in 1991: “Het is volstrekt passé om de wereld te blijven verdelen in zwart en wit volgens de lijnen Zwart is goed en Wit is slecht of Zwarten zijn slachtoffers en Witten zijn handlangers. Er zijn slachtoffers en onderdrukkers in beide kampen.”

Maar Condé durfde ook kritiek te hebben op de in het linkse kamp vrijwel heiligverklaarde Fanon. In Parlez-moi d’amour (1983) citeert ze diens uitspraak dat de liefde van een Zwarte vrouw voor een Witte man moet worden afgedaan als een ‘schaamteloze ziekte’. Hoezo ziekte, moet ze gedacht hebben - ze was toen al jaren samen met haar man Richard die wit is. Haar argumentatie was echter een andere: Fanon trouwde zelf met een Witte vrouw - dat klopte dus niet...

Condé nestelt zich in de verwaarloosde ruimtes van de geschiedenis

In datzelfde artikel reageert ze op het commentaar van een militant uit Mali die meende dat de liefde van een linkse Zwarte vrouw voor een Witte man neerkomt op ideologisch verraad. Past die opvatting niet in het bekende straatje waarin racistische witte mannen al sinds de koloniale tijd verklaarden dat je moet uitkijken voor zwarte mannen die er met ‘onze’ vrouwen vandoor gaan? Raciaal gemengde huwelijken worden ook nu nog vaak als verraad bestempeld, maar het gemeenschappelijke idee dat vrouwen mannelijk eigendom (horen te) zijn blijkt springlevend, vooral in situaties waarin vrouwen steeds minder geneigd zijn in die gedachtengang gewillig mee te gaan.

Monumentale saga

Literatuur en geschiedenis zijn bij Maryse Condé verweven vanaf haar allereerste roman, ‘Hérémakhonon’ (1976), gesitueerd in een fictief Afrikaans land waar de onafhankelijkheidsdroom wreed verstoord raakt door een dictatoriale nachtmerrie. Letterlijk vertaald betekent de titel: ‘Wacht op het geluk’. De les die de Antilliaanse hoofdpersoon Veronica met vallen en opstaan leert is dat geluk niet afhangt van wie je voorouders waren.

Haar grote internationale doorbraak kwam met ‘Ségou’, een monumentale saga in twee delen (1984-1985) waarin de slavenhandel Europa, Afrika en de Amerika’s historisch verbindt. Zowel in de literatuur als in de geschiedschrijving was dat bekende thema voordien vooral langs ingesleten paden benaderd. Zij herschrijft de rampzalige slavernijgeschiedenis, door te laten zien dat niet alleen ongebreidelde westerse hebzucht, maar ook Arabische expansie en Afrikaanse collaboratie een dramatische rol speelden.

Volgens de New English Review “vervreemdt Condé haar lezers van de vertrouwde gang van zaken en maakt hen vertrouwd met onwennige ideeën.” Dat geldt voor al haar werk.

In een interview dat ik met haar over ‘Ségou’ had, zei ze dat Afrika ooit de geboortegrond van Antillianen was geweest, “maar de ergste vergissing die een Antilliaan kan maken is te denken dat zijn wortels uitsluitend in Afrika liggen en dat hij daar zijn identiteit moet gaan zoeken. Dat heb ik zo’n jaar of twintig zelf ook gedaan, maar de charme van de Antillen is juist die verscheidenheid aan expressie in een culturele gemeenschap.”

Haar oeuvre nodigt lezers uit mee te gaan op ont­dek­kings­tocht in een rijke ver­schei­den­heid aan milieus

Met dat uitgangspunt - weigeren tot een bepaalde tak van de menselijke soort te behoren die veel van dit en weinig van dat heeft - bleef ze zoeken naar verbindingen tussen generaties, etnische groepen, mannen en vrouwen. Dat is haar door Afrikaanse en Antilliaanse critici lang niet altijd in dank afgenomen.

Leven of schrijven?

Na vier romans over Afrika, situeerde ze haar volgende boeken in de Caraïben en de Amerika’s. Haar personages hebben uiteenlopende ervaringen met slavernij, kolonialisme en migratie. Zo gaat ‘Moi, Tituba, sorcière’ (1986) over de heksenprocessen van Salem in de Verenigde Staten, waarover auteurs als Arthur Miller en Nathaniel Hawthorne al geschreven hadden maar zonder aandacht voor het lot van zwarte heksen uit het Caraïbisch gebied. In de op haar familiegeschiedenis gebaseerde roman ‘La vie scélérate’ (1987) gaat een voorouder als contractwerker in dienst bij het Panamakanaalproject, zoals zoveel Antilliaanse gastarbeiders deden.

Heeft de schrijver een opdracht? “Wat ik over Afrika schrijf, zal Afrika niet veranderen. Schrijvers kunnen zich in hun werk bevrijden van angsten die hen in de wurggreep houden, maar literatuur is geen wapen: dat literatuur belangeloos is, versterkt juist de originaliteit en onafhankelijkheid ervan.”

Het eeuwige dilemma van de schrijver blijft ‘Leven of schrijven’, zoals Jean-Paul Sartre al zei, en dat motto geeft ze mee aan het autobiografische ‘Het leven zonder mooimakerij’, (2012). In dat boek over de eerste helft van haar leven wilde ze af van halve waarheden en vooral eerlijk zijn over zichzelf. Zo loop je het risico je eigen lezers te choqueren en het mooie beeld dat ze van jou als schrijver hebben, te grabbel te gooien. Het is een aangrijpend portret van haar jaren als auteur in wording, een moeder van vier kinderen die haar kracht en haar zwakheden toont, met alle pijn en moeite, passies, verkeerde keuzes en mooie momenten die een mensenleven met zich meebrengt.

Nooit gemakzuchtig

Door de jaren heen heeft Maryse Condé een superieur talent ontwikkeld voor het neerzetten van (vooral Antilliaanse, Afrikaanse of Afrikaans-Amerikaanse) personages die geconfronteerd worden met een complexe globaliserende wereld waarin je opnieuw positie moet kiezen. Kritisch analyseert ze hun doen en laten, met oog voor zwakheden en sterke kanten, en altijd met begrip en deernis voor hun wel en wee.

Ze stelt geromantiseerde visies op cultureel, seksueel of raciaal gefixeerde identiteiten evenzeer ter discussie als gesimplificeerde tweedelingen en ideologieën. Daarmee heeft ze dogmatische critici geregeld tegen zich in het harnas gejaagd, maar ook prestigieuze prijzen in de wacht gesleept, zoals de Prix Marguerite Yourcenar en de Prix de l’Académie Française. Ze laat haar lezers nooit gemakzuchtig achterover leunen, ze prikt demagogie en labels genadeloos door, omdat ze de werkelijkheid manipuleren of geweld aandoen.

Haar oeuvre nodigt lezers uit mee te gaan op ontdekkingstocht in een rijke verscheidenheid aan milieus, samen met personages die herkenbare angsten moeten overwinnen, zoals de angst voor verlies van identiteit en de angst om je in een hartstochtelijke liefde te storten. Door haar boeiende schrijfstijl ga je meeleven met personages die door dramatische diepten gaan of weer overeind krabbelen. Als het mis met hen gaat, toont ze empathie voor vreemde grillen, onbezonnen passies en heikele roepingen, nieuwsgierig naar wat mensen beweegt. Zo schrijft ze in ‘En attendant la montée des eaux’ (2010): “Een terrorist, is dat niet simpelweg iemand die er niet bij hoort in zijn land, iemand zonder toegang tot rijkdom en geluk, iemand die op wanhopige en misschien wel barbaarse wijze probeert zijn stem te laten horen?” Een indringende en actuele vraag.

Het werk van Condé nestelt zich met zijn zwarte personages in de verwaarloosde ruimtes van de geschiedenis. Dat doet ze met de gratie van een begenadigd verteller. Haar scherpe blik, wars van sentimentaliteit, haar ruimhartige perspectief en haar grote eruditie hebben haar in staat gesteld gangbare clichés op een heldere manier ter discussie te stellen. Met suspense en humor, fascinerende observaties en trefzekere beelden. Deze Nobelprijs is haar welverdiende kroon. 

Mineke Schipper (1938) is schrijver en emeritus hoogleraar Interculturele Literatuurwetenschap, Universiteit Leiden

Lees ook:

Het verhaal van een herdersjongen die uitgroeide tot een van Afrika’s grootste schrijvers

De Keniaanse auteur Ngũgĩ wa Thiong’o (1938) prijkt al jaren op de shortlist voor de Nobelprijs. Van grote invloed was omgeving van Makerere, bij uitstek het trefpunt van de begaafdste studenten uit alle delen van Afrika. Wa Thiong’o kwam er in contact met de literaire beweging Négritude.

De Nobelprijs voor de literatuur wordt nooit meer de oude

De Nobelprijs voor de literatuur moet op de schop, vinden critici die dit jaar een alternatieve prijs uitreiken. Het oorspronkelijke Nobelcomité voor de literatuur ligt op z’n gat. Vijf vragen over de toekomst van de literaire Nobelprijs.

Deel dit artikel

Waarom zouden alle zwarten een negritude gemeen hebben?

Maryse Condé maakt de lezer vertrouwd met onwennige ideeën

Condé nestelt zich in de verwaarloosde ruimtes van de geschiedenis

Haar oeuvre nodigt lezers uit mee te gaan op ont­dek­kings­tocht in een rijke ver­schei­den­heid aan milieus