Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Rogi Wieg: 'Ik heb zin om klappen uit te delen'

Cultuur

ONNO BLOM

Review

Rogi Wieg: 'De overval'. Arbeiderspers, Amsterdam; 143 blz., ¿ 29,90.

Is deze bikkelharde onderhandelaar nu Rogi Wieg nieuwe stijl? Die vraag lijkt gerechtvaardigd na alle commotie die er is ontstaan rond de presentatie van zijn nieuwe roman 'De overval'. De deining ontstond omdat Wieg dit jaar vertrok bij uitgeverij Van Oorschot - het chique huis waar hij als schrijver opgroeide - en met zijn nieuwe roman onderdak vond bij De Arbeiderspers van uitgever Ronald Dietz.

“Ik beschouwde Wouter van Oorschot, Gemma Nefkens en Jaap Blansjaar van Van Oorschot als mijn beste vrienden,” vertelt Wieg. “Maar het knaagde aan me dat er zo weinig van mijn boeken werden verkocht. Wouter vertelde me dat mijn boeken 'te goed en te complex' waren voor een groot lezerspubliek. Hij wilde niets investeren in advertenties en promotie. In het begin dacht ik 'hij zal wel gelijk hebben', maar na verloop van tijd kwam ik er achter dat dat onzin was. Ik was het jonge boegbeeld van die uitgeverij! Hij had reden om trots op me te zijn en moest er gewoon wat geld tegenaan gooien. Maar dat wilde hij niet. Op dat moment brak mijn loyaliteit.”

Is de loyaliteit van Rogi Wieg te koop?

“Dat is natuurlijk onzin. Het is, als je als schrijver meer lezers wilt bereiken, nu eenmaal van cruciaal belang daar iets aan te doen. De plek van een boek in de boekhandel is bij voorbeeld heel belangrijk. Boeken moeten in grote stapels, goed zichtbaar voor het grijpen liggen. Ook het omslag is van belang. Als ik naar het omslag van 'De moederminnaar' kijk, dan lijkt dat net een sociologisch handboek voor gehandicapten. Vergelijk het maar eens met het moderne uiterlijk van 'De overval'.”

Wat meteen opvalt aan het omslag van zijn nieuwe roman is niet de schimmige computer-animatie van een eenzame man die de hemel aftuurt, maar het buikbandje dat die man aan het oog onttrekt. Op het bandje staat Wieg als een aanstormend godfather afgebeeld, geflankeerd door zijn twee bestseller-vrienden Joost Zwagerman en Leon de Winter. Uit de mond van de laatste heeft men opgetekend: “Groucho Marx leeft! Hij heeft net een boek geschreven dat 'De overval' heet en hij noemt zich Rogi Wieg.”

“Ik ben Leon en Joost dankbaar dat zij dit hebben willen doen,” zegt Wieg terwijl hij met een schuin oog naar het buikbandje staart. “Het getuigt van kameraadschap en gevoel van humor. Ze bieden mij existentiële hulp. Mensen zeiken elkaar af in de literatuur, maken elkaar stuk. Dan is het toch geweldig dat zij dit voor mij willen doen. Het is een vorm van liefde.”

Jaap Goedegebuure, de recensent van de Haagse Post, zag er een vorm van betaalde liefde in. “Eerder prostitutie dan promotie,” schreef Goedegebuure. “Ik heb nog nooit twee prostituées een derde zien aanprijzen,” kaatst Wieg hard terug. “Hij moest maar eens naar de hoeren om te kijken hoe dat gaat.” Daarna moet Jeroen Brouwers het ontgelden. Brouwers heeft in een schotschrift tegen Ronald Dietz niet alleen het 'transferbedrag' van Wieg bekendgemaakt - zegge vijfentwintigduizend gulden - maar voorspelde ook dat de overgang naar de Arbeiderspers hem zou gaan opbreken: “Wat een oerdomme, oenige daad van die Wieg. Hij zal zichzelf nog geselen van spijt en met liefde terugverlangen naar Wouter en Gemma.” Even verderop verklaart Brouwers hem zelfs bij voorbaat dood: “In memoriam Rogi Wieg. Dietz ving hem als een argeloze vlieg.”

Wieg: “Dat neem ik Brouwers buitengewoon kwalijk. Dat bedrag is een privé-aangelegenheid, een kwestie tussen Dietz, mij en de belastingdienst. Brouwers schrijft dit alleen maar omdat hij zelf finito is. Ik streef er naar een publiek van zes- a zevenduizend mensen te bereiken, dan ben ik dik tevreden. Dat gaat mij lukken. Niemand doet me meer wat. Ik heb in mijn hoofd een knop omgezet. Ik ben onkwetsbaar, om de doodsimpele reden dat ik goede boeken schrijf. Aan iedereen heb ik maling. Ik heb zelfs zin om klappen uit te delen. Het provocatieve, het boosaardige zit in mij. Daar deins ik niet meer voor terug.”

Al die namen en cijfers, al het grachtengordelgekonkel had wellicht achterwege gelaten kunnen worden, ware het niet dat al dat gepieker over status en succes ook in 'De overval' zelf voorkomen. De ik-figuur in de roman is, net als Wieg zelf, een joodse schrijver met Hongaarse voorouders, die droomt van het schrijven van een bestseller. Omdat zijn uitgever, 'een reusachtige tuinkabouter', maar niet wil meewerken, raakt hij geobsedeerd door de gedachte dat de enige manier om rijk & beroemd te worden, het plegen van een bankoverval is. Dan pas zal hij de vereiste status van nationale beroemdheid verkrijgen. Zijn boeken zullen als warme broodjes over de toonbank gaan. Op bladzijde 85 fantaseert hij:

“Ik ga het redden zonder mijn uitgever en zonder mijn schrijfmachine. Ik ga pakken dragen en een Italiaanse hoed kopen. Ik ga linnen schoenen laten maken en iedere ochtend ontbijten met versgebakken broodjes met de fijnste ham. Ik zal de geschiedenis ingaan als de schrijvende bankrover die zich voortplantte en meer dan twintig kinderen kreeg.”

Nog vóór de vraag naar de verhouding tussen feit en fictie en leven en werk naar aanleiding van deze passage uit 'De overval' ook werkelijk wordt gesteld, zegt Wieg al: “Ik verzin niet graag. Het dient zich vanzelf aan. Ja, ik had problemen met mijn uitgever. Ja, ik heb net als de hoofdpersoon uit mijn boek voor vijfduizend gulden een week opgesloten gezeten in de Euromast. Mijn enige verbinding met de wereld was een computer met Internet-aansluiting. Ik werd er knettergek van. Voor die vijfduizend gulden zei ik alles wat de VPRO wilde horen.”

Je bent dus toch te koop?

“Ik vind het leuk met de waarheid te spelen. Mensen zijn daar niet aan gewend, die vertrouwen op afspraken. En die schend ik graag. Dat is de fascinatie van het schrijverschap. Dat kun je in het dagelijks leven eigenlijk niet doen. Zo ben ik ooit bijna getrouwd. Zij stond al voor het altaar, maar ik ben niet gekomen. Ik belde op dat ik hoofdpijn had. Gelukkig had zij gevoel voor humor.”

“In mijn boeken amuseer ik me enorm als ik de pijlen van tijd en ruimte omdraai. Mensen begrijpen dat vaak niet, die zijn altijd bezig zich af te vragen of iets wel klopt. Ik begrijp dat ook wel: het heeft iets psychopathisch, al die omkeringen van mij. Mensen vertrouwen op je geweten. Ik ontmoet vaak vrouwen, die ik er binnen twee uur toe weet te verleiden te zeggen dat ik dé man van hun leven ben. Als ze dat eenmaal hebben gezegd is het natuurlijk game over. En dan zijn ze beledigd. Ik zeg op zo'n moment: 'Het is maar een spelletje'. Mijn eerste psychiater zei altijd tegen me dat ik het evenbeeld van Peter Pan was. Nooit serieus. Dat heb ik nooit zo gecultiveerd, maar ik weet dat het zo is. Ik heb iets van een kind, maar ook iets gewetenloos.”

In 'De overval' staat, behalve de uit detectives bekende regel 'Elke overeenkomst met de werkelijkheid berust op toeval', ook ergens: 'Niets in dit verhaal is gelogen'. Bestaat er iets dat uiteindelijk geheel waar is?

“Ik leef op de grens van de fictie. Het is heel leuk en bevrijdend om te mystificeren. In feite ben ik identiteitsloos. Stel je mijn situatie voor: je komt aan in een leeg hotel, maar je weet niet welke kamer je wilt nemen. Je kunt iedereen bellen die je wilt, maar je zou niet weten wie. De ultieme waarheid bestaat uit de paradox.”

Deel dit artikel