Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Remco Campert, bedeesd dichter

Cultuur

Erik Jan Harmens

Review

Soms lijkt het wel of Campert zich voor zijn gedichten wil verontschuldigen. Maar juist als hij iets ’hoogdravender’ uitpakt, overtuigt hij.

Over Remco Campert doet het verhaal de ronde dat hij als hij in een cultureel centrum zijn poëzie moest komen voorlezen, hij eindeloos voor de ingang van het etablissement kon ijsberen alvorens hij zich voldoende moed had ingesproken om toch naar binnen te gaan. Het is een bedeesde man die bedeesde gedichten schrijft. Gedichten die zich voor zichzelf lijken te willen verontschuldigen.

Ook in de bundel ’Nieuwe herinneringen’, opvolger van het tien jaar geleden verschenen ’Ode aan mijn jas’, doet Campert kond van die lagestatusfetisj, zoals in de cyclus ’Gemompel’, die zo begint: „Soms zijn er dagen / ja, zo kun je mooi beginnen / hou het maar vaag / dan kan iedereen zich erin vinden.”

Laag inzetten, hoor je de dichter denken. En in het gedicht ’Antwerps meisje’ graaft de dichter uit zijn verleden een vijftienjarige Vlaamse op die hem ooit de weg vroeg naar een concertzaal, waarop hij semi-cool antwoordde: „volg de tramrails maar / dan vind je hem vanzelf.” Nog trekt hij zich de haren uit zijn hoofd om die onhandigheid. „Antwerps meisje / dat ik in mijn hart draag / wat heb ik toch gedaan / met mijn leven.”

Die bedeesdheid is overigens ver te zoeken in het lange gedicht ’Solo in een drankzuchtige aprilnacht’, waarin Campert uit het niets de aanval opent op een ’kogelronde criticus’, achter wie classicus Piet Gerbrandy schuilgaat, die het ooit waagde om de kwaliteit van het gedicht ’Het lied der achttien doden’ van Remco’s vader Jan Campert in twijfel te trekken, een tot evergreen verworden laatste groet richting verzetshelden, gesitueerd in de nacht voor hun fusillade in 1941. ’Een van de Mussolini’s van de poëzie’, zo kwalificeert Campert graftrapper Gerbrandy vol woede. „Die met die baard en die snor / die zelf gedichten schrijft / die de 18 doden niet goed vindt / zichzelf veel beter / mijn vader twee keer vermoord.”

Dit soort onbehouwen driftbuien zijn vooral aardig omdat Campert ze opschrijft. Minder bekende dichters zouden met de markeerstift van de redacteur te maken krijgen. Bovendien hebben mensen die zich buiten de inner circle van de poëzie-scene in Nederland ophouden – en dat zijn al gauw 16,4 miljoen minus duizend man – geen flauw benul over welke ruzie Campert het hier heeft. Dit is ons-kent-ons-gekissebis, geschreven in de nacht van 22 april 2005, zo vermeldt het onderschrift, alsof de volgende ochtend andermaal een fusillade wacht.

In ’Solo in een drankzuchtige aprilnacht’ klinkt het verder nog van ’mijn vrouw ergert zich / en mijn administratie is in de war / en ik beantwoord brieven te laat / en de rest van de wereld / krijg ik ook niet voor elkaar’, maar dat boeit niet echt. Campert is op zijn best als hij die gedichten schrijft die hij mogelijk zelf te hoogdravend vindt.

Zoals ’Licht’, een gedicht over de jaarringen onder de ogen van stervelingen, waarin Campert een stel een hinderlijke boom laat omhakken, omdat ze ’licht meer licht’ in hun kamer willen.

De regel ’de wind die hem bespeelde / week geschrokken uit’ is een voorbode van de naderende deceptie, omdat moeder natuur een speelkameraadje is ontnomen en de wind in plaats van op een boom nu op het luchtledige mag inbeuken.

De teleurstelling wordt duidelijk zodra de boom is gevallen en er licht is. Dan zien de twee ’klaar’ elkaars ’onherstelbare’ gezicht. Onherstelbaar zal betekenen: verkreukeld, vermolmd, oud geworden.

Het woordje ’klaar’ is cruciaal, omdat het opgeruimdheid weergeeft, ten teken dat de klus in de tuin is geklaard. Maar bij het volmaakt kunnen zien van elkaars gezichten ontdekken de twee tot hun eigen schrik dat de jaren genadeloos hebben toegeslagen.

Je kunt een kat die zich in de struiken verschuilt om te sterven aan zijn nekvel uit de bosschage trekken en met zijn snufferd in een schoteltje melk drukken, maar daarmee stel je zijn naderend einde nog niet uit. Je kunt de dood ’in zijn eigen reiken’ een poets willen bakken, maar bij het ’razend suizen’ van de blaadjes besef je dat het onmogelijk is om de tikkende tijd stil te zetten. Het verlangen naar licht kan beter een verlangen blijven.

Erik Jan Harmens zal hier tweewekelijks een poëziebundel recenseren.

De andere weken wordt op deze plek steeds een biografie besproken.

Deel dit artikel