Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Portretten van angst en vervreemding

Cultuur

door Henny de Lange

Review

Kunstenaar Jan van Herwijnen zat in de Willem Arntzstichting in Utrecht, toen hij in 1918 in een psychische crisis raakte. Toen al begon hij zijn medepatiënten te tekenen. De 32 portretten zijn nu weer te zien. Zijn visie is nog altijd duidelijk: ,,Die mensen voelen veel meer dan wij - anders zaten ze daar niet.''

Negen maanden hield Jan van Herwijnen het vol in de Willem Arntzstichting in Utrecht, waar hij vrijwel elke dag tekeningen maakte van psychiatrische patiënten. Ook als hij niet tekende, was hij daar. ,,Ik moest bij ze zijn. Alle vormen van krankzinnigheid heb ik gezien - je hebt er die Napoleon zijn, of Jezus: die hebben het zo kwaad nog niet; beter dan die met melancholie of vervolgingswaanzin. Sommigen leven in zulke angsten dat alles aan ze vijandig is, tot hun kleren en hun eigen lichaam toe - die zaten naakt in een beklede cel, met een goot langs de rand waardoor hun uitwerpselen werden weggespoeld.“ Bij allemaal ging hij naar binnen, ook waar niemand durfde. Na die negen maanden was Jan van Herwijnen uitgeput en heeft hij 'wel twee jaar aan de Middellandse Zee in de zon moeten liggen voordat ik het kwijt kon raken'.

Ze hangen er allemaal in het Museum voor Moderne Kunst in Arnhem: de zwaarmoedige, de manische, de epileptische, de zwakzinnige, de demente, de paranoïde en de schizofrene mens. In krachtige contouren zette Jan van Herwijnen 'de krankzinnigen' met zwart krijt op het papier. In 1919 maakte Van Herwijnen (1889-1965) zijn tekeningenserie 'de krankzinnigen'. Toen hij het jaar erop met de 32 menshoge portretten voor de dag kwam - hij had ze aan de wand geprikt in het gebouw Heystee aan de Reguliersdwarsstraat in Amsterdam - maakten ze diepe indruk en was zijn naam gemaakt. Kunstenaars als Charley Toorop en Henk Chabot lieten zich naderhand door de tekeningen en stijl van Van Herwijnen beïnvloeden. Het Arnhemse museum kreeg de serie onlangs in langdurige bruikleen en exposeert ze nu. Volgens het museum moet er inmiddels een hele generatie zijn die deze bijzondere tekeningen niet kent. Aan indringendheid hebben ze nog niets ingeboet. De angsten die deze mensen hadden, hun wanhoop en gevoelens van onmacht en vervreemding stralen haast van het papier af. Volkomen echt heeft Van Herwijnen hen weergegeven, niet extra zielig of gek, maar zoals ze waren: niets te veel, niets te weinig. Het zijn aan de ene kant ontluisterende portretten, doordat Van Herwijnen hen zo objectief mogelijk heeft proberen af te beelden. Maar van de tekeningen lees je ook af dat de kunstenaar met hen te doen had. Hij wilde een zo duidelijk mogelijk beeld geven van de verschillende soorten geestesziekten, maar hij wilde de patiënten ook in hun waarde laten.

Dat hij zich zo goed kon verplaatsen in hun lijden, niet bang voor hen was en ook gemakkelijk toegang tot hen kreeg, heeft een voorgeschiedenis. Van Herwijnen had het jaar ervoor zelf een diepe psychische crisis doorgemaakt en wist dus wat er omging in hun geest. ,,In 1918 ben ik weer eens uit mekaar gevlogen. Toen hebben ze me naar paviljoen 3 gebracht - ik moet ontzettend geschreeuwd hebben - m'n keel was naderhand helemaal kapot. Ik wilde een piano het raam uitwerken of zoiets; ten slotte schijn ik bewusteloos geworden te zijn. Nou, en toen ik bijkwam lag ik in paviljoen 3. Wat ik dáár om me heen zag, in zo'n zaal, naast me was een ouwe vent, die stond spiernaakt bovenop zijn bed te dansen - kermis in de hel was het. Ik kon me nog niet bewegen, maar ik heb toch een oppasser aan z'n verstand weten te brengen dat ie een dokter moest halen (...) Als je dan uit zo'n zaal met gekken in zo'n wit stil kamertje komt, dan is het net of ze je de hemel indragen.“ Na een week mocht Van Herwijnen daar rondlopen en begon hij de mensen 'beneden' te tekenen. ,,Dat moest ik doen - dat was een dwang waar ik niet onderuit kon.“ Hij wilde een monument voor hen oprichten, een 'eerbetoon' aan hun menselijke waardigheid. Een arts regelde vervolgens dat Van Herwijnen toestemming kreeg om in de Willem Arntzstichting patiënten te tekenen.

Toen Van Herwijnen een jaar later met zijn tekeningen voor de dag kwam, veronderstelden psychiaters dat er in zijn werk ook een element van catharsis zat: door mensen af te beelden die hetzelfde doormaakten als wat hem was overkomen, kon Van Herwijnen de chaos van belevingen uit zijn eigen psychotische periode 'van zich áf tekenen', en er daardoor meer grip op krijgen. Maar volgens de kunstenaar werd hij vooral gedreven door het gevoel dat hij deze mensen even wilde bevrijden van hun hallucinaties. ,,Ik keek ze net zo lang aan tot ik zag dat ze bevrijd werden. Dat is wat, dat je ineens daar in die ogen die mens weer ziet terugkomen - dat is net of God zelf je aankijkt. Bij sommigen was het maar een moment, bij anderen duurde het langer. Als ik dan weer buiten was en ik draaide me nog eens om, dan kon je zien door het raampje dat ze al weer terugvielen in hun spookwereld. Nooit ben ik achteruit een cel uitgelopen, nog bij de ergsten niet - ik voelde met m'n rug dat ik ze vast kon houden - 't was net of m'n ogen in m'n nek zaten. De doktoren en broeders bleven altijd met hun gezicht naar ze toe, die mensen doen hun werk, het is hun vak, en daar houdt het mee op - meestal tenminste. Maar bij de kunstenaar is dat anders, bij de kunstenaar is de zucht tot zelfbehoud tot een minimum gereduceerd. Dat hangt samen met het werk - je kan geen kunstwerk maken als je niet alles van jezelf kunt opgeven - zolang je nog iets achterhoudt, schiet je tekort. Die mensen voelen dat aan je, en zo kun je ze soms even bevrijden. Je denkt toch niet dat die ongevoelig zijn; die voelen veel meer dan wij, anders zaten ze daar niet.“

Tijdens het tekenen ging het volgens Van Herwijnen net zo. Als hij maar voortdurend liet voelen dat hij bij ze was, bleven ze rustig zitten. Soms kon hij dat alleen met zijn ogen af, soms moest hij tegen ze praten, maar omdat hij dat hooguit een uur volhield, moest hij als een razende werken. ,,'s Avonds als ik thuiskwam, had ik dikwijls huilbuien en krampen - het leken wel toevallen - en de volgende morgen ging ik weer.“

Na het tekenen van de krankzinnigen had Jan van Herwijnen het gevoel dat hij zelf nooit meer gek zou worden. Maar helemaal los van de krankzinnigen is hij nooit meer gekomen. Op een morgen, tientallen jaren later, vertelde hij dat hij in zijn dromen weer bezig was geweest gekken te schilderen. ,,Eigenlijk zou ik het nog een keer moeten doen - niet tekenen, maar schilderen - in de lichte kleuren van het palet van nu - ik zie ze helemaal in het licht, toen kon ik dat nog niet - ze lijken wel heiligen.“

De krankzinnigen, tekeningen van Jan van Herwijnen, tot 30 oktober in Museum voor Moderne Kunst Arnhem, www.mmkarnhem.nl

Deel dit artikel