Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Pleegde Bredero, de geniale amateur, zelfmoord?

Cultuur

Rob Schouten

Televisiebewerking van ‘De Spaanse Brabander’, uitgezonden door de TROS in 1969. © Hollandse Hoogte / Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid
Recensie

Prachtig tekent Van Stipriaan Bredero in 17de-eeuws Amsterdam.

Van de literaire Grote Vijf van de zeventiende eeuw, Vondel, Hooft, Bredero, Cats en Huygens is Gerbrandt Adriaansz Bredero zonder twijfel de minst bekende. Ja, hij werd binnen Nederland wereldberoemd met werken als ‘De Spaanschen Brabander’, ‘Klucht van de koe’, ‘Moortje’ en een aantal gedichten en met zijn motto “t kan verkeren’ maar de man zelf? Wie was hij, hoe leefde hij?

Lees verder na de advertentie

Onze onbekendheid met zijn persoonlijk leven wortelt misschien in zijn afkomst; terwijl behalve Vondel, die zichzelf opwerkte, de andere grootheden der Gouden Eeuw tot de goed beschreven elite behoorden, was Bredero van eenvoudige komaf, zoon van een schoenmaker. Hoe het zij, er zijn weinig concrete sporen over zijn leven en die er leken te zijn, bijvoorbeeld dat hij overleed ten gevolge van het zakken door het ijs, blijken ook nog eens onjuist te zijn.

Van Stipriaan ziet veel parallellen tussen onze sixties en Bredero's tijd

In René van Stipriaans biografie ‘De hartenjager, Leven, werk en roem van Gerbrandt Adriaensz. Bredero’, die onlangs verscheen naar aanleiding van Bredero’s 400ste sterfdag (op 23 augustus) worden we omtrent zijn leven ook niet veel wijzer, eerder onwijzer. De auteur geeft grif toe weinig nieuws te hebben gevonden en verwijst en passant ook nog wat vermeende feiten naar het rijk der fabelen. Daarentegen zet hij een helder en prachtig beeld van Bredero in zijn tijd en het toenmalige Amsterdam neer, een beeld dat in zekere zin ook een nieuwe, genuanceerde blik geeft op onze Gouden Eeuw.

Bredero-opleving

Misschien juist door onze onbekendheid met de persoon Bredero is het in de loop der eeuwen gaan wemelen van de interpretaties van zijn persoon, zowel onder wetenschappers alsook onder schrijvers. Zo waren er tallozen die in de bekende valkuil van de autobiografische lezing liepen en Bredero’s leven uit zijn werk wilden verklaren, tot in de jaren zestig een Vlaamse professor liet zien dat bijvoorbeeld Bredero’s gedichten aan een zekere Margriete (wie was zij, een minnares van de veelvuldig verliefde schrijver?) vertalingen uit het Frans waren. Weg biografische duiding. 

Ook dichters als Marsman, met een gedicht over de zwaarmoedige Bredero en A.M. de Jong, die in ‘De dolle vaandrig’ het beeld schiep van een van kroeg naar bordeel en terug stuiterende lichtmis, droegen een dubieus steentje bij aan het Bredero-beeld. Pas in de jaren zestig van de vorige eeuw lijkt er een kentering te komen en wordt de visie op Bredero realistischer en waarschijnlijker. Dan ontstaat er ook een kortdurende Bredero-opleving, vooral in de toneelwereld.

Dat laatste is, als je deze biograaf mag geloven, geen toeval. Het tijdperk waarin Bredero leefde, van 1585-1618, wordt niet alleen als een soort renaissance beschreven, maar van Stipriaan trekt zelfs de parallel met onze eigen sixties, er was opeens van alles mogelijk, literatuur bijvoorbeeld kreeg individualistischer trekjes, overal werd de geest van de culturele en maatschappelijke vrijheid geroken en ook de minder positieve gevolgen daarvan, twijfel aan waar het naartoe moest, aan wat de mens eigenlijk voor iemand was, kwamen aan bod; na die tijd werd de wereld (althans in Nederland en Amsterdam) weer stijver en preutser.

Kortom, Bredero leefde in het leukste, opwindendste partje van de zeventiende eeuw, de tijd ook van het Twaalfjarig Bestand waarin niet of nauwelijks met de vijand Spanje werd gevochten, en die ongeveer met de onthoofding van Oldenbarneveldt (in 1619) en de religieuze twisten daaromheen eindigde. Van Stipriaan plaatst Bredero daarmee in het klimaat waarin schrijvers als Rabelais, Erasmus, Shakespeare, Cervantes en al die andere grootheden der zestiende- en zeventiende-eeuwse verlichting zich manifesteerden, in een Europese contekst.

Wanhoop en melancholie

Op het einde van Bredero’s leven, in 1618, we weten niet hoe en waaraan hij stierf, versomberde de wereld om hem heen en versomberde ook Bredero’s eigen wereld. Een vergeefse verliefdheid op een zekere Margaretha Stockmans, die voor een welgestelder echtgenoot koos, stortte de voormalige levensgenieter, want dat moet hij ondanks alle nuancering toch wel zijn geweest, in wanhoop en melancholie. Zo diep dat Van Stipriaan de mogelijkheid oppert, zij het met de grootste voorzichtigheid, dat de nog tamelijk jonge schrijver zelfmoord heeft gepleegd.

Van Stipriaan zet Bredero vooral neer als een scherpzinnige deelnemer en toeschouwer

Het is ongetwijfeld het meest speculatieve aspect van deze biografie, ook het meest spraakmakende en zoals de auteur het beschrijft ben je geneigd te denken: zou heel goed kunnen, maar enig bewijs is er niet, netzo min als overigens onomstotelijk te bewijzen valt dat het jaar 1618 een soort cultureel crisisjaar was. Het schetsen van een publieke atmosfeer is nu eenmaal het moeilijkste wat een historicus te doen staat, misschien zijn dichters er beter in.

Zoals Bredero zelf dat was die zijn Amsterdam in ‘De Spaanschen Brabander’ zo raak schildert (al moet gezegd worden dat hij het stuk zich veertig jaar eerder laat afspelen); de vreemdelingentoestroom, het toenemend fundamentalisme, de xenofobie, het babylonische taalgebruik, het lijkt allemaal wel een equivalent van onze eigen tijd en Van Stipriaan laat dan ook niet na Bredero niet slechts als een zeventiende-eeuwer neer te zetten maar vooral als een scherpzinnig toeschouwer en deelnemer die de menselijke ziel en het universele menselijk tekort doorgrondt.

De hartenjager van René van Stipriaan © rv

Geregeld trekt hij de vergelijking met Shakespeare, Bredero’s tijdgenoot. Een gevaarlijke vergelijking want Shakespeare is uiteraard van veel groter signatuur, maar de overeenkomsten zijn inderdaad treffend, nederige afkomsten waardoor gevoel voor volksaard, taalkundige smeltkroezen, het vermijden van karikaturen, toneelvernieuwing, je kunt Shakespeare’s vernieuwing voor de Nederlandse situatie ook allemaal op het conto van Bredero schrijven.

Bredero’s onbekende en miskende stuk ‘Griane’ zou zelfs best eens beïnvloed door Shakespeare’s ‘A Winter's Tale’ kunnen zijn, denkt Van Stipriaan. Oftewel Bredero als de scherpe observator van menselijke zwakheid maar ook als de verlichte vernieuwer van het Nederlandse toneel.

Jammer blijft het dat we zo weinig van zijn leven weten, het zou ons inzicht kunnen geven in de ziel van de man die als geen ander de zielen van anderen wist uit te schilderen. En schilderen is hier niet zomaar gekozen want van beroep was Bredero schilder (al is er geen enkel schilderij van hem bekend), zijn letterkundig werk was als het ware een tijdverdrijf en bijbaantje.

Hij was de geniale amateur, door Van Stipriaan op magistrale wijze, zonder veel ‘leven’ maar met veel ‘werk’ en ‘roem’ en vooral context neergezet.

Oordeel:

Magistrale biografie die de dichter, zijn werk en roem, in context plaatst.

Lees meer boekrecensies in ons dossier.

Deel dit artikel

Van Stipriaan ziet veel parallellen tussen onze sixties en Bredero's tijd

Van Stipriaan zet Bredero vooral neer als een scherpzinnige deelnemer en toeschouwer