Reportage Beeldende kunst

Peter Zegveld verbeeldt de ploeterende mens met schuurspons, pvc-buis en noppenfolie

Peter Zegveld op zijn expositie ‘Wat beweegt....’ in Rijksmuseum Twenthe. Beeld Herman Engbers

Er klinken knallen en er blaffen honden in Rijksmuseum Twenthe, waar Peter Zegveld laat zien dat kunst ook speels en grappig mag zijn. Maar het ‘existentiële getob van de mens’ komt ook altijd om de hoek kijken in zijn werk.  

In de binnentuin van Rijksmuseum Twenthe in Enschede staat een metershoge bouwsteiger met stortkoker. Wie er langs loopt, op weg naar het terras of restaurant, hoort niet het geluid van vallende stukken puin in de koker maar angstkreten. Dat is schrikken, valt er iemand naar beneden? En dan klinkt uit de metalen pijp ook nog het gejank van een hond.

Een absurde binnenkomer die helemaal past bij kunstenaar Peter Zegveld, die op het terras zit te wachten. Met een grijns imiteert hij de schrille kreten en het geblaf uit de stortkoker. Ja, alles maakt en doet hij zelf, van de valpijp tot de geluiden. Alleen voor de steiger moest ‘ie een aannemer laten komen.

Naast het terras heeft hij een hondenhok gebouwd. Vanaf een paal voor de kierende deur loopt een strak gespannen ketting naar binnen. Uit het hok klinken grommende geluiden. Die komen ook uit eigen keel, laat hij horen in weer een perfecte imitatie. 

Bijna alles beweegt

Illusies creëren met geluid en beweging, daar is Peter Zegveld (68) goed in. Na het voorproefje buiten wachten in het museum nog zeven zalen met beelden en installaties. Bijna alles beweegt of maakt geluid. Daarbij spelen de kijkers zelf een actieve rol. Door knoppen in te drukken of een elektrisch oog te passeren, brengen zij sculpturen tot leven, laten zij schaduwbeelden op muren verschijnen of laten ze knallen klinken.

Beeld Herman Engbers

Al sinds de jaren tachtig maakt Zegveld theater, muziek en beeldende kunst. Hij gaf eigen (jeugd)voorstellingen en werkte bij muziektheatergezelschap Orkater en het tv-programma Villa Achterwerk. Optreden in het theater doet hij sinds enkele jaren niet meer, om zich volledig te kunnen wijden aan zijn beeldende werk. Daarin vloeien al die disciplines samen, waardoor het soms ook het karakter van een performance heeft. Grappig, speels en humoristisch zijn de installaties, die hij vaak met minimale middelen in elkaar knutselt in een grote loods in Zaandam.

Puur entertainment lijkt zijn toegankelijke kunst op het eerste gezicht. Je moet erom lachen, wordt verrast of schrikt even. Maar hoe lichtvoetig de werken ook overkomen, ze gaan altijd over dingen die iedereen herkent. Heel basale thema’s stelt hij aan de orde: angsten, de kwetsbaarheid van de mens, de band tussen ouders en kinderen, vergankelijkheid, het noodlot. Op zijn Zegvelds samengevat: “Het existentiële getob van de mens”.

In gesprekken met kunstkenners valt dan al gauw de term conceptuele kunst. Dat is kunst waarbij het vooral gaat om het idee dat erachter zit, minder om het object zelf. Maar Zegveld heeft ‘niks’ met conceptuele kunst. “Ik beleef juist zo ontzettend veel plezier aan het máken van mijn installaties. Mijn liefde ligt bij het materiaal, het geknutsel met elektronica, het ambacht.”

Dat waar het over gaat, wil hij er juist niet nadrukkelijk bovenop leggen. Hij fixeert ‘momenten’ in zijn werk die herinneren aan de ‘tobbende mens die zich maar moet zien te redden in het aardse bestaan’. “De één zal dat oppikken, de ander niet. Maar ik wil mensen daarin niet sturen, daarom kies ik ook neutrale titels, zoals ‘Valpijp’ of ‘Cave canem’, ‘Pas op voor de hond’.”

Een beroep op verbeeldingskracht

Voor kunstkenners is entertainment misschien een vies woord, maar dat element kan de inhoudelijke betekenis ook versterken, meent Zegveld. “Als je moet lachen om verschrikkelijke dingen, dringt de ernst daarvan zich nog pijnlijker op.”

Dat middel zette hij ook in in zijn theatervoorstellingen voor jongeren. Zo verbeeldde hij ruzie over de erfenis in een gevecht tussen twee broers over de leunstoel van moeder. “Dat laat ik zo hoog oplopen dat de crapaud letterlijk in tweeën wordt gespleten. Tot grote hilariteit, natuurlijk, maar daardoor wordt de treurigheid ervan nog duidelijker.”

Met zijn kunst doet Zegveld een sterk beroep op de verbeeldingskracht. Kinderen laten zich moeiteloos mee-nemen in de toverwereld die hij schept. “Ze denken nog vrij. Volwassenen raken dat vaak kwijt. Dat is jammer, want dan verhoornt je leven.”

Werk van Peter Zegveld in Rijksmuseum Twenthe Beeld Herman Engbers

Paardje in galop

Hoogste tijd om het universum van Zegveld te gaan verkennen met de ogen van het kind dat we ooit waren. Wat zongen we toen: hop hop hop, paardje in galop. En daar beginnen we dus ook mee. In de eerste zaal klinkt het getrappel van paardenhoeven. Op de muur verschijnt de projectie van het dravende dier. Het geluid komt uit een houten kist met daarop een zadel. Voor je ‘t weet zit je zelf op dat paard. 

De eerste keer dat Zegveld zich realiseerde dat kunst in een museum niet iets hoeft te zijn waarbij je alleen maar mag fluisteren, was in 1961. Als jochie van tien nam zijn moeder hem mee naar de tentoonstelling ‘Bewogen beweging’ over kinetische kunst in het Stedelijk Museum Amsterdam. Prachtig vond hij vooral de zaal met de bewegende en geluid producerende objecten van Tinguely, waarvan bezoekers er een aantal zelf in werking mochten zetten. Kunstcritici spraken schande van deze ‘kermis’ en ‘speeltuin’, maar het publiek vond het prachtig. Zegveld: “Door Tinguely ben ik waarschijnlijk op het idee gebracht om kunstenaar te worden.”

Voor zijn ouders was het geen verrassing dat hij naar de kunstacademie wilde. “Mijn moeder speelde piano en mijn vader bijna alle muziekinstrumenten. Ik was ook muzikaal en kon als kind al goed tekenen. Ik kon heel snel een goed lijkend portret maken en stemmen nadoen. Op de kunstacademie heb ik een enorm brede en klassieke opleiding gehad, van kunstgeschiedenis tot anatomie en het zelf maken van verf. Door die stevige basis kan ik nu vrijwel alles zelf maken en doen.”

Dat entertainment ook een middel kan zijn om de inhoud van een kunstwerk kracht bij te zetten, demonstreert Zegveld met de installatie ‘Vox Populi’. Uit een metalen kegel klinkt het aanzwellende geluid van een massaprotest – de stem van het volk. Op de muur verschijnen lichtbeelden van een deinende massa met omhoog geheven handen. Naast de kegel staat een houten draaischijf met een buigzame stok die als de wijzer van een klok langzaam meedraait om uiteindelijk met een harde klap op de kegel te slaan. Het geluid valt weg. De revolutie is de kop ingeslagen, het volk monddood gemaakt. 

Zelf bewegende kunst maken

De tentoonstelling ‘Wat beweegt....’ van Peter Zegveld (Den Haag, 1951) beslaat zeven zalen en de binnentuin van Rijksmuseum Twenthe in Enschede. Het is aan te raden voor 26 augustus te gaan. Van 27 augustus t/m 27 oktober is nog maar de helft van de werken te zien, omdat dan ruimte moet worden gemaakt voor een andere tentoonstelling. Zelf bewegende kunst maken kan tot 26 augustus ook in Peter Zegvelds Speelstudio in De Museumfabriek, op een paar minuten lopen van het museum. 

Vaak zijn het simpele materialen waarmee hij werkt. In een fles blaast een ballon zich op als een geest. Op een draaischijf heeft hij een witte veer geplakt die langzaam slijt tot alleen nog maar de pen over is, een verwijzing naar de vergankelijkheid van het leven. Een vogel gemaakt van een schuursponsje probeert eindeloos omhoog te fladderen, als metafoor van de ploeterende mens die maar niet verder komt. Met oude pvc-buizen brengt hij de mythe van de door slangen verzwolgen Trojaanse priester Laocoön tot leven. De kwetsbaarheid van de mens verbeeldt hij in een pers die tergend langzaam de blaasjes van noppenfolie laat knappen, als waren het longblaasjes. 

Weer een zaal verder is het een kabaal van jewelste. Er scheurt een bus met schoolkinderen voorbij, er wordt om mamma en pappa geroepen. Zegveld, vader van een dochter: “Schoolreisjes vond ik altijd zo erg. De zorgen bij het uitzwaaien van je kind in de hoop dat het ‘s avonds weer heelhuids thuiskomt.” Die sluimerende angstgevoelens van ouders en het besef van de kwetsbaarheid van hun kind worden ook verbeeld in een commode, waaruit onheilspellend gebonk klinkt, en een couveuse met daarin een baby die gaat trillen als je hem aanraakt.  

Spelende kinderen

Gebrek aan ideeën heeft hij nooit. “Ik verzin nooit van tevoren wat ik wil maken. Als ik bezig ben, komt er vanzelf iets opborrelen. Het is net als met spelen. Dan gebeurt er ook van alles waar je niet naar op zoek was.”

Je blijven verwonderen en spelen als een kind, kun je dat leren? “Ik denk dat het ook met je persoonlijkheid heeft te maken. Maar je kunt je erin trainen. Op straat kijk ik altijd mee met kinderen. Die kijken heel anders, hun ogen schieten voortdurend heen en weer. Ze zien nog écht die rode bus waar wij achteloos aan voorbij lopen. En alles is een spel, van de stoeprand tot de tegels. Niet dat ik zelf hinkelend over straat ga of over elke gebroken tegel spring, maar het blijft een feest van herkenning.”

Lees ook:

Kinetische kunst met piep, knars of knipoog

Kinetische kunst kun je makkelijk wegzetten als een leuk grapje van een kunstenaar. Bij tentoonstellingen in Enschede en Amsterdam is te zien dat kinetische kunst over net iets meer kan gaan.

Absurde levens in een herkenbaar straatbeeld

Uit een raam op de bovenste verdieping van een flat gooit een boerende man zijn lege blikje bier naar beneden. Boven hem klinkt de denderende dreun van een houseparty en beneden roddelt een buurvrouw. Peter Zegveld zet voor de familievoorstelling ‘Burengluren’ twee flats op het toneel en met zes acteurs en een serie animatiefilms komt een complete buurt tot leven.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden