Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Opwaardering van het ritueel

Cultuur

Chris Rutenfrans

Review

Is de beeldenstorm dan toch voor niets geweest? Uit goed-protestantse hoek komt een pleidooi voor beelden in de kerk, naast de domineesportretten in de consistoriekamer. Mystiek, symboliek en ritueel winnen weer aan populariteit.

Binnen het christendom lijkt een hernieuwde belangstelling te ontstaan voor mystiek en voor de betekenis van symboliek en ritueel. Die doet zich niet alleen gelden binnen het rooms-katholicisme, maar ook in de reformatorische kerken, die de roomse symboliek van oudsher plegen te veroordelen als 'paapse afgoderij'.

Zo pleitte prof. J. van Bruggen in het weekblad De Reformatie (vrijgemaakt) van 21 juni voor een eerherstel van symbolen, ja zelfs van beelden in de kerk: ,,Waarom zou een kerk die foto's van oud-predikanten ophangt in de consistorie, geen beelden van de lijdende apostel Paulus en van de sleuteldragende Petrus mogen plaatsen? (. . .) Is het niet opvallend dat wij via kerkbodes alles weten over het geduld van een zieke broeder, maar dat niemand meer iets weet over de voornaamste martelaren van de kerk? (. . .) Zelfs de symboliek van het knielen is ernstig aan het eroderen.'' Volgens Van Bruggen kan het 'verval' alleen worden gekeerd door een hernieuwd besef van menselijke kleinheid tegenover het mysterie van het leven. Want dat is het wat in de eucharistie wordt verbeeld.

Dat klinkt bijna rooms. Maar de roomsen zelf gingen verder. Filosoof Paul Moyaert uit Leven betoogde op 3 april in Trouw dat de menselijke gehechtheid aan symbolen de harde kern is van elke godsdienst en religieuze devotie. Uitvoerig getuigde hij van zijn eigen religieuze vervoering: ,,Als ik in de kerk naar voren ga en het kruisbeeld aanschouw, dan vind ik dat zo ontroerend, zo aangrijpend dat ik door de knieën ga. Maar niet, nooit door het lezen van bijbelteksten.''

Op 18 juni publiceerde Trouw een pleidooi van de econoom prof. F.W. Rutten voor het herstel van een wekelijkse eucharistieviering met een bevoegde priester in elke rk parochie. Er bleek een bekeringsverhaal achter schuil te gaan. Rutten was na een persoonlijke crisis een mystieke weg opgegaan en was zich daardoor pas goed bewust geworden van de betekenis van het rk avondmaal: de werkelijke aanwezigheid van het lichaam en bloed van Christus in brood en wijn, iets wat een pastoraal werker nu eenmaal niet kan bewerkstelligen.

Rutten, Moyaert en Van Bruggen zullen ongetwijfeld veel genoegen beleven aan het onlangs verschenen boek 'Geloven; Portret van een tempeldienaar' van theaterwetenschapper M. F. Elling (geb. 1933). Elling schetst gedetailleerd de rituelen van het roomse kerkelijke jaar zoals zich dat nog in de jaren vijftig ontrolde, van de eerste zondag van de advent tot en met de vierentwintigste zondag na pinksteren. Het boek is uitgegeven in de reeks SUN literair. Terecht. Elling heeft geen dorre wetenschappelijke studie geschreven, maar persoonlijke herinneringen en hij verwoordt die met grote stilistische fijnzinnigheid en elegantie.

Voor de 'bewuste gelovige' die Elling naar eigen zeggen in die tijd was, bood het kerkelijk jaar een belangrijk houvast voor wat er in zijn eigen leven gebeurde. Zijn bewustheid contrasteert geestig met de onbewustheid van de grote massa der kerkgangers. Herhaaldelijk verzucht de jonge gelovige hoe jammer het is dat niet iedereen de juiste beleving heeft op de kerkelijk daartoe voorgeschreven tijd. Zo hoeft hij voor de paasnacht, 'de grootste viering van het jaar, drie uren rond middernacht' niet te dringen. ,,Als de kerk halfvol is, is het mooi, terwijl er voor de bewuste christen toch geen denken aan is deze nacht te missen.''

Maar ook de bewuste gelovige worstelt met leer en leven. Vanaf de eerste adventszondag staat 'Toorops drieluik, Maria en het kind, omgeven door engelen' op zijn bureau. ,,Soms moet het tijdelijk worden dichtgeklapt om geen getuige te hoeven zijn van handelingen die alleen een naam hebben in vuile taal of in de terminologie van de heilige biecht. Bezoedelde handen openen het weer na een wijle en een berouwvol hart smeekt het kind van de maagd om vergeving.''

Als zijn aanzienlijk minder gelovige vrienden het verbazend vinden dat ze niet mogen vragen naar de staat van het maagdenvlies van de Heilige Maagd ('Liesje, heb jij je vliesje nog'), gewaagt hij voorzichtig van een 'geestelijke maagdelijkheid', 'de afwezigheid van de slavernij van de begeerte'. ,,Hij probeert het neutraal te zeggen, als een cultuurhistorische kanttekening, want als belijdenis maakt het hier geen kans.''

Kerkelijke gebeurtenissen zijn ook verweven met de liefde van onze bewuste gelovige. Gelukkig is hij als hij in het kerstspel Jozef mag zijn tegenover het aanbeden meisje dat Maria speelt. Maar het loopt anders. Hij moet aanzien dat Maria zich afgeeft met de ongelovige herder. ,,Thuis voor zijn altaar droomt Jozef een devoot hem toegedane Maria die hem vraagt de weerspannige haakjes op de rug van haar blauwe kleed los te maken . . . Het drieluik ziet het hoofdschuddend aan.''

Je blijft citeren uit dit prachtige boek. Elling roert ook wel eens omstreden leerstellige kwesties aan, maar uiterst lichtvoetig, zonder zwaarwichtige argumentatie. In een overweging over de Heilige Geest komt de vrouw in het ambt ter sprake. Die Heilige Geest wordt altijd voorgesteld als duif of als vurige tongen, is daarmee de minst antropomorfe van de drie personen Gods, wat in strijd is met de leer dat de mens is geschapen naar Gods beeld en gelijkenis. Daarom hebben sommigen gemeend dat Hij eigenlijk vrouw is. Maar: ,,Men moet niet denken aan de chaos die de erkenning van de vrouwelijkheid van de Geest in de liturgie en in de relatie van het volk tot de geestelijkheid zal veroorzaken. De kracht van de Heilige Geest indalend in het doopwater door de penetratie van de paaskaars bijvoorbeeld, die prachtige ceremonie zou moeten worden herzien. En met een vrouwelijke Heilige Geest valt een vrouwelijke priester niet meer tegen te houden, een vrouwelijke bisschop, een vrouwelijke paus.'' Als dat dan toch moet, dan is dat volgens Elling alleen zinvol als het een echte vrouw is, 'kuis desnoods, maar wel capabel'. ,,Van een pausin, die het al lang niet meer naar de wijze der vrouwen gaat, valt geen hervorming van de seksuele moraal te verwachten.'' Hij vraagt zich nog wel af of het nu voor jonge zondaressen hetzelfde is bij jonge kapelaans te biechten als dan voor jonge zondaars bij jonge kapelanessen.

De katholieke wereld die Elling beschrijft is ondergegaan en zal niet meer herrijzen, de betogen van Moyaert en Rutten ten spijt. Die ondergang valt te proeven in de woorden van de jonge kapelaan aan het einde van het boek: ,,Wij, moderne theologen, zijn eerder van mening dat het koninkrijk Gods op deze aarde gerealiseerd moet worden.'' De lezer voelt huiverend de bevrijdingstheologie aankomen. Met een zucht sluit hij het boek en prijst in stilte de auteur die die verloren wereld in zichzelf heeft teruggevonden en geboekstaafd. Nog vaak zal het boek uit de kast worden gehaald om op te zoeken hoe het ook alweer zat met het veertigurengebed, de uitvaart, de fluistersacramenten van biecht en oliesel. En dan stuiten op oude gezegdes als 'Heil'ge Josef, voedstervader, foei hoe suffig staat gij daar', 'Johannes de Doper, kont van koper, pik van blik, af ben ik', en op heerlijke zinnen als: ,,De Kerk is natuurlijk geen gemeenschap van vrijheid en gelijkheid.''

Deel dit artikel