Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Op het beslissende moment laat zijn eigen morele zintuig Dijksterhuis in de steek

cultuur

SYBE I. RISPENS

Review

Klaas van Berkel: Dijksterhuis - Een biografie. Bert Bakker, Amsterdam; 639 blz. - ¿75.

Deze vragen zullen vaak bij de wiskundige en wetenschapshistoricus Eduard Jan Dijksterhuis (1892-1965) zijn opgekomen. In zijn ogen bestond er niet zoiets als een tegenstelling tussen de natuurwetenschappen en de wiskunde aan de ene kant en de humaniora aan de andere kant.

In een specifiek literaire of een uitgesproken exacte aanleg geloofde Dijksterhuis niet: thuis in zowel de literair-humanistische als de technisch-wetenschappelijke wereld, zou hij zelf zijn leven lang als een soort culturele veerman heen en weer pendelen tussen de wereld van de alfa's en die van de bèta's. Hij zou er uiteindelijk, na het verschijnen van zijn boek 'De mechanisering van het wereldbeeld', internationale faam mee verkrijgen.

Voor Dijksterhuis is wiskunde de eerste en grootste liefde. Nadat hij er te Groningen in is gepromoveerd, komt hij als leraar wis- en natuurkunde in Tilburg voor de klas te staan. Het onderwijs op de middelbare school maakt van de jonge Dijksterhuis een vurig pedagoog. In de wiskunde ziet hij niets minder dan een groot moreel ideaal. Grondig wiskundeonderwijs, meent hij, kan scholieren de 'geestelijke eerlijkheid' bijbrengen van het mathematisch streven om dingen duidelijk te zeggen en helder te overdenken. Bij de intellectuele opvoeding van het kind zou de wiskunde dan ook in het middelpunt moeten staan.

In de avonduren houdt Dijksterhuis zich bezig met zijn tweede passie: de wetenschapsgeschiedenis. Hij zit vaak tot diep in de nacht aan zijn schrijftafel gekluisterd, gefascineerd door grotendeels onbekend gebleven werken van antieke wiskundigen en middeleeuwse geleerden.

De sterk ondergewaardeerde wetenschapsgeschiedenis is in zijn ogen een onmisbare brug tussen de literair-humanistische en de wetenschappelijke cultuur. Als men maar laat zien wat voor intellectuele uitdagingen wetenschappers door de eeuwen heen zijn aangegaan om hun kennis te bereiken, dan, meent Dijksterhuis, zullen vertegenwoordigers van de twee culturen werkelijk met elkaar in contact blijven.

Zijn nachtelijke speurwerk richt zich in de eerste jaren vooral op het denken over de verschijnselen van beweging en vrije val. Hij raakt er gaandeweg van overtuigd dat wetenschappelijke kennis niet schoksgewijs in 'intellectuele revoluties' tot stand komt, maar een geleidelijke ontwikkeling doormaakt. Zo laat hij van de moderne mechanica zien dat ze diep wortelt in de wetenschap van de Griekse oudheid. De verbindende lijn daarbij is volgens hem - hoe kan het ook anders - de wiskunde. De moderne wetenschap ontstaat pas wanneer men de wiskunde systematisch op de natuurverschijnselen gaat toepassen.

Dijksterhuis is amper dertig wanneer zijn eerste boek verschijnt: 'Val en worp - Eene bijdrage tot de geschiedenis der mechanica van Aristoteles tot Newton'. Het bevat in essentie alles wat hij later nog zou schrijven, maar slaat niet aan. Ook de grondgedachte uit zijn bekendste boek staat er al in, namelijk dat onder de 'mechanisering van het wereldbeeld' in de eerste plaats de 'mathematisering' van het wereldbeeld moet worden verstaan.

In de oorlog raakt Dijksterhuis, inmiddels uitgegroeid tot een spil in de Nederlandse cultuur, in een persoonlijk en intellectueel dilemma. Grootgebracht in een burgerlijk milieu waarin hem de cultuur van het Duitse neo-humanisme met de paplepel was ingegoten, kan hij niet geloven dat onder invloed van een heersend regime de blijvende waarde van de Duitse cultuur aangetast kan worden. De door hem zo fel bewonderde Duitse cultuurdragers blijven zijn intellectueel richtsnoer. Op het persoonlijk vlak blijft hij tot aan het einde van de oorlog overtuigd van de integriteit van zijn Duitse vrienden en collega-geleerden. Maar er is meer.

Enkele maanden na de Duitse inval in Nederland treden Dijksterhuis en zijn vrouw Hannie toe tot het Nationaal Front, een aanvankelijk gematigd nationaal-socialistische beweging. Vele industriëlen, intellectuelen en oud-politici voelen zich aangetrokken tot de gezagsgetrouwe, op het Nederlandse Volk mikkende toon van het Nationaal Front. Maar in oktober van 1940 verandert het gematigde geluid, er verschijnt een grievende antisemitische prent, en voor Dijksterhuis is dat voldoende reden om zijn lidmaatschap op te zeggen.

Als redactielid van het gezaghebbende tijdschrift 'De Gids' neemt Dijksterhuis niet zo duidelijk afstand van de bezettersmacht. Hij blijft geloven in de intellectuele onafhankelijkheid van het blad, ondanks de Duitse maatregelen om het Nederlandse culturele leven in de greep te krijgen. Eén redactielid van 'De Gids' wordt opgepakt en gedeporteerd, maar het tijdschrift zelf mag blijven verschijnen, wat te danken is aan het geschipper van de andere redactieleden.

Zo heeft Dijksterhuis het in een artikel over de zeventiende-eeuwse natuur- en wiskundige Simon Stevin niet meer over de Nederlandse taal, maar over het 'in de Nederlanden gesproken Nederduits'. Men kan zich hier afvragen of zijn historische purisme hier niet plaats heeft gemaakt voor politiek opportunisme.

Wat op onvoorwaardelijke afkeuring kan rekenen, is Dijksterhuis' beslissing om in de laatste twee oorlogsjaren aan de Universiteit van Amsterdam college te geven in de wetenschapsgeschiedenis. Hij doet dat zonder twijfel uit liefde voor het vak, maar ook hij kan weten dat studenten die zich aan de universiteit willen inschrijven, een verklaring van loyaliteit aan de Duitsers moeten ondertekenen. Aan deze nogal lauwe houding heeft Dijksterhuis het te wijten dat bij de zuivering na de oorlog zijn universitaire leeropdracht wordt ingetrokken.

Terwijl Dijksterhuis altijd vurig de morele waarde van de wiskunde heeft benadrukt, laat op het beslissende moment zijn eigen morele zintuig hem in de steek. Het is alsof hij in de oorlog het gevoel miste voor de morele dimensie van de problemen van zijn tijd. De Amsterdamse hoogleraar filosofie H. J. Pos zou daarover in 1944 schrijven: “Geraffineerd of naïef, dacht ik eerst, maar dat laatste won het, al zijn er ook van 't eerste enige korrels aanwezig.”

Trouw.nl is vernieuwd. Vanaf nu is onbeperkte toegang tot Trouw.nl alleen voor (proef)abonnees.

Deel dit artikel

Advertentie

Wilt u dit artikel verder lezen?

Maak vrijblijvend een profiel aan en krijg gratis 2 maanden toegang tot Trouw.nl.

Het e-mailadres bij dit profiel is nog niet bevestigd. Een link om te bevestigen kun je vinden in je inbox.
Ben je de link kwijt? Vraag hier een nieuwe aan.

Ongeldig e-mailadres

Wachtwoord is niet correct

tonen

Wachtwoord komt niet overeen

tonen

U moet akkoord gaan met de gebruiksvoorwaarden

Wij gaan vertrouwelijk om met uw gegevens. Lees onze privacy statement.