Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

NIEUW! NIEUW! NIEUW! EEN NIEUWE WETENSCHAPWETENSCHAPSGESCHIEDENIS

cultuur

SYBE I. RISPENS

Review

Vier eeuwen geleden kwam de Europese wetenschap in een stroomversnelling terecht. In nog geen honderd jaar tijd veranderde zij volledig. Nieuw was de wiskundige beschrijving van de natuur. Nieuw het experiment. Nieuw waren allerlei meetinstrumenten. Vanaf 1600 verscheen er bijna geen enkel wetenschappelijk boek meer waarin het woordje 'nieuw' niet in de titel voorkwam. Maar hoe nieuw is nieuw? Generaties wetenschapshistorici bogen zich over deze vraag, schrijft Hendrik Floris Cohen in The scientific revolution. Om telkens weer wat nieuws over de Nieuwe Wetenschap te ontdekken. H. Floris Cohen, The scientific revolution; a historiographical inquiry. The university of Chicago press, Chicago. 662 blz. Gebonden: fl 168,-. Paperback fl 65,55.

Nieuw was ook dat Kepler consequent de wiskunde gebruikte in het opstellen en uitwerken van hypothesen over de omloopbanen. Kepler vergeleek de resultaten onverbiddelijk met de nauwkeurige meetgegevens die hij had gekregen van de Deense astronoom Tycho Brahe. De nieuwe aanpak liet zien dat natuurwetenschappelijk onderzoek zich kon meten met filosofische en theologische leerstellingen. Kepler schreef dat hem de tranen over de wangen liepen toen hij besefte dat de Schepper hem had uitverkoren om als eerste een blik te slaan op het goddelijke recept van de schepping.

Kepler mag dan wel worden gezien als een grondlegger van de moderne natuurwetenschap, het kostte hem toch grote moeite om zich van het oude wereldbeeld los te maken. In zijn 'Nieuwe astronomie' brak hij met de antieke opvatting dat hemellichamen levende wezens zijn die door een soort kosmische geest worden voortbewogen. Hij stelde dat planeten als levenloze tandwielen in een enorm uurwerk ronddraaien. Maar later meende hij dat de zon het vurig hart van de kosmos is, dat de aarde een organisme is met een ziel en dat de getijden de ademhalingsbewegingen van dit wezen zijn. Een aantal jaren daarop verwierp hij weer de aanduwende planeetgeest om die door een magnetische kracht te vervangen.

Die magnetische kracht was minstens net zo vaag en onbekend als een planeetgeest, maar Kepler had er tenminste mee laten zien dat hij planeten als levenloze lichamen wilde beschouwen. Misschien kwam Kepler op dit standpunt nadat hij zich veel ellende op de hals had gehaald met een allegorische vertelling over een reis naar de maan. Daarin speelde een maangeest de rol van wetenschappelijke reisgids.

Die geest kon op zichzelf geen kwaad, maar in het verhaal kwam een passage voor waarin Kepler zijn moeder contact liet zoeken met de maangeest. De ironie van die vertelling ging verloren en prompt werd Katharina Kepler van hekserij beschuldigd. Vrouwen in verbinding met planeetgeesten zette men aan het begin van de zeventiende eeuw resoluut op de brandstapel. Kepler wist zijn moeder nog op het nippertje van dat lot te redden.

Uit Keplers aarzelende houding ten opzichte van de astronomische voorstelling van een bezielde kosmos blijkt dat het niet gemakkelijk was om een radicale keuze te maken voor de mechanische opvatting van het universum. Maar in de geschiedschrijving van de moderne wetenschap is die nuancering lange tijd ver te zoeken geweest. Natuurwetenschappers zijn door Verlichte filosofen nogal eens als Grote Helden geportretteerd die definitief het menselijke vernuft uit de woestijn van het middeleeuwse bijgeloof hebben uitgeleid. Een historische belangstelling voor de geschiedenis van de moderne wetenschap bestond vrijwel niet en het duurde tot het eind van de vorige eeuw voordat die interesse zich begon los te maken van de filosofie.

Wetenschapshistorici hebben zich opvallend genoeg vrijwel nooit geïnteresseerd voor de ontwikkeling van het eigen jonge vakgebied. Hendrik Floris Cohen, hoogleraar in de geschiedenis van de natuurwetenschappen en de techniek aan de Technische universiteit Twente, heeft nu als eerste systematisch en met een aanstekelijke nieuwsgierigheid een eeuw onderzoek door wetenschapshistorici naar de Nieuwe Wetenschap in kaart gebracht. In zijn boek 'The scientific revolution; a historiographical inquiry'.

Een vraag die bij het graafwerk in de geschiedenis van de moderne wetenschap steeds weer lijkt op te duiken is: hoe nieuw was die Nieuwe Wetenschap, de wetenschap zoals die onstond tussen ruwweg 1600 en 1700? In 1913 gaf de Franse natuurkundige en wetenschapsfilosoof Pierre Duhem een aardige duw tegen het Verlichte bouwwerk. Hij stelde dat de fundering ervan niet in de zeventiende eeuw gezocht moet worden, maar drie eeuwen eerder. Eigenhandig had hij in de archieven van de Bibliothèque Nationale unieke werken van Parijse geleerden uit de veertiende eeuw ontdekt die, zo schreef hij, vanuit een “waarlijk modern wetenschappelijke geest” waren opgesteld.

Het enthousiasme van de ontdekker voor het eeuwenlang verborgen gebleven historisch materiaal kende geen grenzen, en af en toe leek het er zelfs op dat de historische nauwkeurigheid had plaatsgemaakt voor zijn verknochtheid aan de bronnen van Franse bodem. De vraag kwam op of Duhem de historische gegevens wel helemaal goed had weergegeven. Nog niet eerder was zo'n soort vraag gerezen bij een werk dat inging op het ontstaan van de moderne wetenschap. De wetenschapsgeschiedenis was geboren.

Bruisend van de inspiratie opgedaan bij het lezen van Duhem neemt een handjevol onderzoekers in de jaren '20 de uitdaging aan om de historische feiten rond het begin van de moderne wetenschap op te diepen. Tot deze wegbereiders van de wetenschapsgeschiedenis hoort de Nederlandse wiskundige Eduard Jan Dijksterhuis.

Dijksterhuis gaat op zoek naar een meer sobere uitleg van de soms iets te meeslepende theorieën van Duhem. Daarbij mogen de feiten alleen nog dienen om het verleden zo getrouw mogelijk te reconstrueren. Dijksterhuis beschikt over een methodische achterdocht voor vertalingen van historische bronnen en een zeldzaam literaire pen. Zijn eerste boek verschijnt onder de titel 'Val en worp', waarin een zoektocht wordt ondernomen naar de oorspronkelijke teksten die gaan over beweging en de vrije val.

Het werk wortelt diep in de overtuiging dat wetenschappelijke kennis een graduele ontwikkeling doormaakt. Dijksterhuis begint zijn onderzoek niet bij de veertiende eeuwse Parijse geleerden, maar in de Griekse oudheid. Dat hangt samen met zijn overtuiging dat er geen recht wordt gedaan aan de antieke leer door de 'waarlijk modern-wetenschappelijke geest' nogal vaag te definiëren als 'tegen Aristoteles gericht', zoals zijn Franse voorbeeld dat had gedaan. In de ogen van Dijksterhuis biedt het werk van de Griekse wijsgeer wel degelijk aanknopingspunten voor de moderne bewegingsleer en zorgvuldig volgt hij dan ook de lijnen die uiteindelijk in de zeventiende eeuwse mechanica bijeen zouden komen.

Die lijnen leiden, in de woorden van de meester zelf, naar “het binnenvoeren van de natuurwetenschap in de spheer der mathesis”. Dat de moderne wetenschap begint met het toepassen van de wiskunde op de natuurverschijnselen is ook de boodschap van 'De mechanisering van het wereldbeeld', het boek waarmee Dijksterhuis in de jaren vijftig internationale faam zou verwerven.

Hoe 'nieuw' is het begin van de moderne wetenschap dan nog? Dit is een gewetensvraag voor Dijksterhuis, want aan de ene kant is hij er volledig van overtuigd dat wetenschap stukje bij beetje groeit, maar aan de andere kant schrijft hij met stelligheid dat met Kepler en Galileo Galilei een nieuwe periode in de geschiedenis van de natuurwetenschap was aangebroken.

Minder remmingen op dit punt had de Russisch-Franse emigrant Alexandre Koyré. Net als Dijksterhuis was hij ervan overtuigd dat de mathematisering van de natuur de sleutel gaf tot de moderne wetenschap, maar anders dan zijn Nederlandse tijdgenoot sprak hij onomwonden van een breuk in de wetenschapsgeschiedenis.

Hier lijkt het verschil in beide persoonlijkheden neer te slaan in de theorie: Dijksterhuis was een geleerd man, bescheiden en introvert, terwijl Koyré het leven van een kosmopoliet leidde, uitdagend en briljant. Hij was een man van verandering en verstond als geen ander de kunst om die overtuiging onder de aandacht te brengen. Voor de breuk die hij rond 1600 zag, voerde hij het begrip 'Wetenschapsrevolutie' in, want zo schreef hij, “ook een goed voorbereidde revolutie is een revolutie”.

Koyré koos met 'revolutie' een woord dat in de zeventiende eeuw was uitgegroeid van een vakterm uit de sterrenkunde tot een aanduiding voor een radicale en vaak gewelddadige politieke ommezwaai. Maar Koyré dacht bij revolutie niet aan een soort wreed wetenschappelijk oproer. Hij had een verschijnsel op het oog dat sinds de Franse Revolutie ook met abrupte politieke veranderingen in verband werd gebracht: de vorming van een nieuw denkkader. In de Wetenschapsrevolutie was er volgens Koyré sprake van zo'n intellectuele mutatie: het beeld van de bezielde kosmos verdween en daarvoor in de plaats kwam een homogene en abstracte ruimte, waarbinnen alle bewegingen wiskundig zijn te berekenen.

Opvallend is dat Koyré zich niet zo interesseerde voor Johannes Kepler, omdat die nog meende dat de ruimte eindig is. Toch is veel van de door Koyré geschetste revolutie in de 'Nieuwe astronomie' terug te vinden: Kepler voerde bij voorbeeld in zijn vergelijkingen de tijd als een soort 'oervariabele' in, die alle beweging en verandering definieerde.

Als er inderdaad sprake was van een vernieuwing, hoe kon die dan zijn begonnen? De achttiende en negentiende eeuwse verklaring van een Nieuwe Wetenschap die als het ware op stenen tafelen vanuit de hemel was neergedaald kwam voor Koyré niet in aanmerking. In plaats daarvan vond hij een opmerkelijke verandering in de instelling van de wetenschappers in de periode vóór de Wetenschapsrevolutie.

Eeuwenlang hadden die zich gewijd aan de wiskunde als een ideale intellectuele bezigheid die met de praktijk eigenlijk niets van doen had. Maar de kamergeleerden van voorheen gingen zich steeds meer bezighouden met dingen die lang tot het gebied van de ambachtslieden hadden gehoord. Wetenschappers speelden zo een beslissende rol bij de uitvinding van de meeste nieuwe instrumenten van de zeventiende eeuw: van barometer en telescoop tot slingeruurwerk. Waar brillenslijpers, smeden en juweliers nog in een directe behoefte voorzagen en werkten met schatting en overlevering, daar begonnen wetenschappers vanuit een wiskundig probleem, waarvoor ze een precieze oplossing berekenden. Koyré vatte de Wetenschapsrevolutie samen als de overgang van een wereld van het 'om en nabij' naar het 'universum van precisie'.

Na Koyré gaat het concept van de Wetenschapsrevolutie reusachtig uitdijen, waar vooral uit blijkt dat veel mogelijke verklaringen voor de vraag hoe de Nieuwe Wetenschap heeft kunnen ontstaan helemaal over het hoofd zijn gezien. De rol van het experiment is bij voorbeeld zowel bij Dijksterhuis als Koyré onderbelicht gebleven. Beide hebben bovendien alleen maar gekeken naar de geschiedenis van de astronomie, mechanica en een gedeelte van de optica. Maar hoe zit het met de chemie, de biologie en het onderzoek naar magnetisme?

En buiten de geschiedenis van de wetenschappelijke ontwikkelingen zelf zijn ook opzienbarende invloeden te vinden voor ontstaan van de Nieuwe Wetenschap. Wat te denken van de rol van de techniek? De mechanische klok, eeuwenlang de meest geavanceerde en perfecte machine in Europa, bracht met het nauwkeurig meten van de tijd misschien het 'universum van precisie' een stap dichterbij. De uitvinding van de drukpers leverde het wetenschappelijk denken eerst een flinke vertraging op doordat er in het begin vooral bijbels en Griekse klassiekers werden gedrukt in plaats van vernieuwende werken, maar later heeft de boekdrukkunst veel bijgedragen aan de continuïteit van de wetenschappelijke kennis.

Niet alleen in de geschiedenis van de techniek zijn aanwijzingen op te diepen voor het ontstaan van de moderne wetenschap, dat kan ook in andere ontwikkelingen in de geschiedenis van Europa. Wat was bij voorbeeld de invloed van de religie op het wetenschappelijk denken? En hebben ontdekkingsreizigers misschien nieuw feitenmateriaal aangeleverd, waardoor de autoriteit van de Griekse leer werd ondermijnd?

Het breed uitwaaierende onderzoek naar het ontstaan van de Nieuwe Wetenschap heeft onvermijdelijk ook naar de vraag geleid waarom die eigenlijk in Europa is begonnen. Het technologisch gezien aan Europa superieure China en meer nog de hoog ontwikkelde Islamitische cultuur zijn tot de zestiende eeuw serieuze kandidaten geweest voor het ontwikkelen van een Nieuwe Wetenschap. Dat het uiteindelijk Europa is geworden lijkt een kwestie te zijn van een onvoorspelbare combinatie van gestage ontwikkeling en puur geluk. Als bij voorbeeld de Mongoolse horden in het midden van de dertiende eeuw hun succesvolle opmars in westelijke richting in Silezië niet hadden opgeschort, dan had er aan rond de Rijn heel anders uitgezien dan nu, en zou in ons stukje van de wereld een Johannes Kepler vermoedelijk nooit zijn 'Nieuwe astronomie' hebben geschreven.

Trouw.nl is vernieuwd. Vanaf nu is onbeperkte toegang tot Trouw.nl alleen voor (proef)abonnees.

Deel dit artikel

Advertentie

Wilt u dit artikel verder lezen?

Maak vrijblijvend een profiel aan en krijg gratis 2 maanden toegang tot Trouw.nl.

Het e-mailadres bij dit profiel is nog niet bevestigd. Een link om te bevestigen kun je vinden in je inbox.
Ben je de link kwijt? Vraag hier een nieuwe aan.

Ongeldig e-mailadres

Wachtwoord is niet correct

tonen

Wachtwoord komt niet overeen

tonen

U moet akkoord gaan met de gebruiksvoorwaarden

Wij gaan vertrouwelijk om met uw gegevens. Lees onze privacy statement.