Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Nicolaas Beets: oppergod op Komrij's Helikon

Cultuur

PETER DE BOER

Review

Gerrit Komrij: De Nederlandse poëzie van de twaalfde tot en met de twintigste eeuw in 3000 en enige gedichten. Inclusief cd. Bert Bakker, Amsterdam; 4100 blz. tot 1 mei ¿ 75, daarna ¿ 149,90.

Nederland is, in de week dat Fokker haar werd ontstolen, een nationaal bezit rijker. Want zo is het, wonderlijk genoeg, toch wel. Komrij, de briljante, extreem belezen maar ook super subjectieve middelaar tussen de gewone lezer en de Nederlandse poëzie van alle eeuwen, is als persoon stilaan verdwenen achter het instituut dat zijn bloemlezing inmiddels geworden is. Zijn werk is een standaard geworden, veel bediscussieerd, maar toch: het is een beetje van ons allemaal. En wel om de eenvoudige reden dat zo'n omvangrijke, smaakvolle en representatieve bloemlezing in ons land enig in zijn soort is.

Representatief inderdaad, want hoezeer Komrij zijn persoonlijke voorkeuren ook laat meewegen, hij is toch vakman genoeg om zeg maar de objectieve canon in zijn werk mee op te nemen. Alle 'evergreens' van de Nederlandse poëzie, van 'Egidius, waer bestu bleven' tot aan Luceberts 'ik tracht op poëtische wijze', staan erin.

Maar als gezegd, er zit ook een subjectieve kant aan deze bloemlezing, die zich met name in het moderne deel in menige plaagstoot heeft uitgeleefd. De beide eerste delen, die de twaalfde tot en met de achttiende eeuw bestrijken, zullen weinig stof doen opwaaien. Beide zijn ongewijzigde herdrukken van edities die eerder afzonderlijk verschenen en waarvan de verrassende keuze alom is geprezen.

Met het derde deel ligt het anders. Het is de tiende, herziene en vermeerderde druk van de geruchtmakende bloemlezing waarmee dit hele projekt ooit begon: 'De Nederlandse poëzie van de 19de en 20ste eeuw in 1000 en enige gedichten'. Van meet af aan heeft er een gezellig rellerige sfeer rond dit boek gehangen. De eerste druk uit 1979 kwam de uitgever direct op een kort geding te staan, aangespannen door Remco Campert, Gerrit Kouwenaar, Lucebert en Bert Schierbeek. Zij hadden geen toestemming gegeven voor opname van hun werk, en hun procedeerwoede zal zijn aangewakkerd door het feit dat Komrij voor de poëzie van de Vijftigers maar een bescheiden plaats had ingeruimd.

Komrij was, een minimum van 1 en een maximum van 10 gedichten hanterend, naar de maatstaven van die nog sterk door het (neo-)experiment gedomineerde tijd inderdaad zeer eigenzinnig te werk gegaan. Zo verloste hij de domineeslyriek uit haar verbanningsoord en plaatste haar in één klap terug in de canon. Beets, Ten Kate, De Génestet, Potgieter, zij scoorden moeiteloos 9 of 10 gedichten.

Ook de grote 'traditionelen' van de twintigste eeuw - Leopold, Dèr Mouw, Achterberg, Nijhoff, Slauerhoff, Vestdijk, Roland Holst, enzovoorts - waren met 10 gedichten prominent aanwezig. Van de vijftigers echter haalde alleen Lucebert de maximumscore. Hanlo was met 7, Andreus en Campert waren met 6 gedichten present. Claus moest het doen met een magere 4, Kouwenaar met 3, Elburg en Schierbeek met 2. Voor Vinkenoog waren de druiven met slechts dat ene gedichtje 'o-derivaat' wel heel erg zuur.

In meer experimentele kringen was men des duivels. Bernlef, die er met 2 gedichten, waaronder het minimale 'Modern times' ('Zelfs een transistor / is stilte / als je hem afzet') ook al bekaaid afgekomen was, zag er “een welbewuste poging (in) om een van de belangrijkste stromingen in de twintigste-eeuwse Nederlandse poëzie onder tafel te werken”. Het literaire wereldje stond op zijn kop en Komrij's bloemlezing werd mede dankzij dit rumoer een bestseller.

In de nieuwe editie blijkt de zaak der Vijftigers er een stuk beter voor te staan. Ten aanzien van het experiment is Komrij milder geworden en zijn nieuwe keuze is meer objectief verantwoord dan die uit 1979. Lucebert blijft, in een iets gewijzigde keuze, op 10 staan; Hanlo handhaaft de 7; Andreus stijgt er één en komt op 7; gerechtigheid voor Campert en Claus, die 4 respectievelijk 6 gedichten stijgen en nu gewoon zoals het hoort op 10 uitkomen; Kouwenaar blijft een beetje de gebeten hond maar stijgt er toch één naar 4; Elburg idem naar 3; Schierbeek en Vinkenoog ten slotte handhaven hun povere positie uit 1979.

De positie van Kouwenaar blijkt, zeker ook als je kijkt naar zijn invloed op een aantal jongere dichters, 'objectief' ondergewaardeerd, maar daar heeft Komrij 'subjectief' kennelijk geen boodschap aan. Het al te rigide 'autonome' en 'talige' dichten kan hem nog steeds niet bekoren. Het is een teken aan de wand dat hij de neo-experimentele nieuwkomers F. van Dixhoorn en Lucas Hüsgen of de toch al zes bundels gepubliceerd hebbende Frans Budé in het geheel niet opnam. Daar staat overigens het ontbreken van 'traditionele' jongere dichters als Antoine Uitdehaag, Paul Gellings, Hester Knibbe en anderen tegenover.

Het totaalbeeld is er voor de Vijftigers dus op vooruitgegaan en wat deze grote lijn betreft is er bij de verschijning van deze nieuwe editie dan ook weinig reden tot beroering. Het venijn schuilt meer in de details. Het ontbreken van Elly de Waard bijvoorbeeld, die behalve veel poëtisch geronk toch ook een aantal mooie gedichten op haar naam heeft staan. Of het feit dat Tomas Lieske, Lenze L. Bouwers, Maria van Daalen en K. Michel (ik doe maar een greep) met slechts één gedicht aanwezig zijn, terwijl de door weinigen serieus genomen ex-Maximaal Arthur Lava, die in 1994 met het bundeltje 'Bravissimo' debuteerde, maar gelijk met 4 gedichten mag opdraven. Ook zal Huub Beurskens, die in 'De Gids' van deze maand Neeltje Maria Min de vertolkster noemt van het 'stuntelig levenslied' - wat ik trouwens een knap hautaine opmerking vind -, wel in zijn wiek geschoten zijn vanwege het door hem gescoorde drietje, waar Min met 5 gedichten uit de bus komt.

En zo is er meer in deze bloemlezing waarover men zich ouderwets vrolijk of geërgerd kan opwinden, maar ook dat hoort bij het instituut dat de Komrijkse Helikon intussen geworden is. Maar echt grote beroering zie ik er ditmaal niet van komen. Ik moest dan ook wel even grinniken toen ik vorige week in deze krant de aankondiging las van Komrij's bloemlezing, met als begeleidend commentaar: 'Staatssecretaris Aad Nuis is als dichter afgevoerd. Hans Faverey wordt nu ook door Komrij als een groot talent erkend. Met liefst negen gedichten is hij present'. Niet dat het niet klopt, maar het klinkt sensationeler dan het is.

Wat de staatssecretaris betreft: het opnemen van zijn twee onbeduidende knittelverzen in de vroege drukken was welbeschouwd veel opzienbarender dan het weglaten daarvan nu. En ach, hij is de enige niet. Ook Louis Ferron, Manuel Kneepkens, Peter Simpelaar en Henk Spaan, in '79 allen nog present, zijn van het toneel verdwenen. En ten aanzien van Faverey heeft Komrij niet zo'n volte-face gemaakt als wordt gesuggereerd: in '79 was hij al met 5 gedichten (de complete reeks 'Chrysanten, roeiers' namelijk) aanwezig.

Wél opzienbarend is Komrij's vermoedelijk door niemand behalve de betreffenden zelf ondersteunende opwaardering van de Maximalen. Ik gun Pieter Boskma, René Huigen, Arthur Lava en René Stoute natuurlijk hun plaats, maar Komrij heeft in hun geval het poëtische dollen wel erg tot norm verheven. Is Boskma (5 gedichten) een grotere dichter dan Bernlef, Enquist en Ouwens (elk 4)? Is Huigen (6) maar ietsje minder goed dan Kopland (7) en beter dan Leeflang, Charles Ducal en, waarom niet, Jules Deelder (elk 5)? Arthur Lava (4) de evenknie van Guillaume van der Graft en beter dan de met 3 gedichten optredende Hertmans, Duinker, Oosterhoff of Benno Barnard? En René Stoute (2), acherm, heeft hij echt betere poëzie afgeleverd dan Ed. Hoornik, Remco Ekkers en K. Michel? Ik vraag maar.

Maar over het algemeen heeft Komrij het evenwicht tussen een zekere communis opinio ten aanzien van de moderne poëzie en zijn subjectieve voorkeuren aardig in balans weten te houden, al kun je eindeloos over de verhoudingen blijven redetwisten. Luuk Gruwez, het doet mij persoonlijk zeer goed, krijgt 7 gedichten, maar daar tegenover vind ik de 2 van Robert Anker weer veel te laag. Maar die 2 van Anker staan naar mijn gevoel weer wel in de juiste verhouding met de 4 van Willem Jan Otten (en weer niet met de 3 van Eriek Verpale).

Zo kun je eindeloos doorgaan. Maar dat van Christine D'Haen, Herman de Coninck, J. Eijkelboom en Eva Gerlach - ik doe maar weer een greep - elk 7 gedichten zijn opgenomen zal in den lande breed worden gesteund. Ook verwacht ik geen beeldenstorm tegen, bijvoorbeeld, de notering van Judith Herzberg, Leonard Nolens en Toon Tellegen op 8, of van Vasalis en Vroman op 10. Hans Warren op 10 is weer een ander verhaal. Ook kun je je afvragen of Peter Verhelst met 5 niet wat te ruim, en Willem van Toorn met 6 niet wat te karig is toebedeeld.

Een paar cijfers nog tot slot. De jongste van Komrij's gezelschap, de dichteres Jo Govaerts (1972), komt maar direct binnen met 4 gedichten. Jan Kal steeg van 3 in '79 naar 6 nu en mag dus nooit meer zeuren over miskenning. Bernard Dewulf en Pim Hofstra, die beiden vorig jaar debuteerden, noteren elk 3 gedichten, evenveel als bijvoorbeeld Wiel Kusters en B. Zwaal. Opvallend is de terugval van Kees Ouwens: 5 in '79, 4 nu. Zeker zo opvallend is de stijging van de protestants-christelijke dichteres Jacqueline E. van der Waals (1868-1922), van wie vorig jaar de 'Verzamelde gedichten' verschenen, van 3 naar 7. Een beetje een stiekeme stijger is Nicolaas Beets, die in '79 al op 10 stond en nu, in een gedeeltelijk andere keuze, op 11 is uitgekomen. Zijn waarde valt dus buiten de maximum norm: hij is de oppergod op Komrij's Helikon.

Tot zover dit hoofdstukje plussen en minnen. Lezen maar, en houdt uw ogen en oren open tijdens deze boeiende excursie naar negen eeuwen Nederlandse poëzie.

Deel dit artikel