Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Nelleke Zandwijks vierde boek is een mooi coming-of-age-verhaal over een leven dat voelt als fietsen in de tramrail

Cultuur

Yolanda Entius

Nelleke Zandwijk in haar atelier © Emmy Scheele
Boekrecensie

Nelleke Zandwijk vormt nuchter en geestig gebeurtenissen om tot poëzie

Ergens halverwege ‘Het mooiste verhaal over mijn familie’, de vierde roman van Nelleke Zandwijk, krijgt ‘neef’ (het zoontje van de tweelingzus van de vertelster) een vitrinekastje van Ikea voor zijn verjaardag, want neef is dol op Ikea. De ik-figuur voorziet een ramp. Die vitrinekast is namelijk geen vitrinekast maar een medicijnkastje met matglazen deurtjes waar je niet doorheen kunt kijken. En hoewel het kastje op de achterbank ‘zelfs als meeneempakket een obstakel’ is, blijft gulle geefster ‘oma’ (de moeder van de vertelster) er ‘vierkant’ achter staan. “Toen kon ik een tijdje niet anders naar mijn moeder kijken dan als naar een blok geperst mens”, schrijft Zandwijk, “wat je ziet op autosloperijen maar nu was het een mensensloperij.”

Lees verder na de advertentie

Dat blok mens in combinatie met ‘vierkant’ en dat pakket in de auto dat een vitrinekast moet worden, is mooi gevonden. De scène doet in het klein wat de roman doet in het groot. Een klein voorval wordt nuchter, geestig en symbolisch omgevormd tot poëzie. Maar over het drama waartoe dit cadeau wel móést leiden (waarom eigenlijk?) komen we - of ik moet iets gemist hebben - niets te weten. Heeft het niet plaatsgevonden, was er alleen de angst voor dit drama? Of was het er wel en moeten wij dat zelf maar invullen? Of vindt Zandwijk dat drama zelf niet zo belangrijk?

Als ze bij de bakker om een croissant vraagt zegt de kattige bediende: “Ja, wat wilt u nou mevrouw? U bestelt een croissant maar u kijkt naar de baguettes!”

Waarom zijn pa en ma ooit gescheiden? En waarom is de tweeling zo uit de gratie geraakt bij ‘de weduwe’, de nieuwe vrouw van de inmiddels overleden vader? En waarom blijft de vertelster al die tijd bij Jack (hij heeft, anders dan de meeste personages die worden aangeduid met zus, neef, oudste zus of weduwe, wél een naam), een ‘Libanonveteraan’ die haar op de achterbank van zijn Porsche 911 propt? “Het was ook geen achterbank, maar een smalle strook niemandsland. Mijn plek voor de komende jaren.”

Als fietsen in de tramrail

Deze gemankeerde relatie levert overigens mooie, komische, scènes op. De vertelster moet in het zwembad bij de ballenbak op Jacks dochtertje passen. Ze is zo bang dat het fout gaat (en de wind van voren zal krijgen) dat ze zichzelf door het nauwe gangetje de bak in wurmt, wat natuurlijk niet de bedoeling is. Maar waarom, begon ik me allengs toch af te vragen: waarom neemt ze met zo weinig ruimte genoegen? Is het omdat zij ‘als helper met haar tweelingzus is meegegaan naar de aarde’, zoals ma beweerde? “Het is toch frappant, zei mijn moeder. Het gaat dus niet om jou.”

Al in ‘De dag van de jas’, Zandwijks lichtvoetige debuut, ging het om een tweeling. Zandwijks moeder zou, als we de auteur mogen geloven, toen hebben beweerd dat het allemaal onwaar was. “Dus u begrijpt, het is niet allemaal verzonnen.” Ook in deze vierde roman put Zandwijk ongetwijfeld uit haar eigen leven. Veel is dubbelzinnig in dit verhaal, en er is veel waarover je meer zou willen weten, maar wat ons nadrukkelijk wordt onthouden.

Of las ik eroverheen, zag ik het niet goed? Keek ik door matglazen deurtjes naar dit web van disfunctionele relaties? Zoals de mensen langs de ik-figuur kijken, omdat ze de baan volgen van haar schele oog. De vertelster loenst ‘als Clarence, de leeuw van ‘Daktari’. Als ze bij de bakker om een croissant vraagt zegt de kattige bediende: “Ja, wat wilt u nou mevrouw? U bestelt een croissant maar u kijkt naar de baguettes!” Pas als het te laat is realiseert ze zich dat ze die croissant in het haar van die kattekop had moeten smeren.

Al die vragen. Ondertussen werd ik heel geraffineerd in Zandwijks spoor getrokken: een leven dat vaak voelt ‘als fietsen in een tramrail’. Hoe ze in die tramrail is geraakt en hoe ze er weer uitkomt doet er niet toe in dit verhaal want er is maar ‘erbarmelijk weinig wat je zelf stuurt, ook al denk je dat in in een godvergeten Ferrari zit’. Zandwijk zoekt niet naar oorzaken, wél naar een moment om uit die rail te stappen. ‘In de winter voordat mijn leven pas echt begon,’ opent ze haar roman. Pas aan het slot gaat dat leven dan eindelijk beginnen.

Zandwijks vierde is een coming-of-age-verhaal. Meestal leert de held daarin iets over het leven voor zij de volgende stap kan zetten. Niet bij Zandwijk. Haar verhaal, een mooi verhaal, gaat over iemand die er heel lang over deed voor ze zelf aan leven toekwam. Op een dag, ergens na die winter, had ze er gewoon schoon genoeg van de redder van een zus, een Libanonveteraan, of van wie dan ook te zijn.

Oordeel: mooi coming-of-age-verhaal

Nelleke Zandwijk, Het mooiste verhaal over mijn familie (Querido); 208 blz. € 20

In ons dossier boekrecensies vindt u een overzicht van de besprekingen van pas verschenen fictie, non-fictie, jeugdliteratuur en thrillers.

Deel dit artikel

Als ze bij de bakker om een croissant vraagt zegt de kattige bediende: “Ja, wat wilt u nou mevrouw? U bestelt een croissant maar u kijkt naar de baguettes!”