Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Neeltje Maria Min: ‘Het plezier van het verzinnen vind ik genoeg’

Cultuur

Janita Monna

Neeltje Maria Min © Jörgen Caris
Interview

Met een nieuw gedicht opent Neeltje Maria Min een tweewekelijkse reeks over het Boekenweekthema ‘de moeder de vrouw’. Mins oeuvre is klein gebleven, maar erg is dat niet. ‘Nu denk ik: als ik het vergeet, zal het niet belangrijk zijn.’

‘Een paar weken geleden kwam ik in Museum Kranenburgh in Bergen mijn nichtjes tegen, de dochters van mijn zus. Oh, zeiden ze, ‘wat ga je op onze moeder lijken!’ Ik dacht dat ze míjn moeder bedoelden, dus ik zei: ‘Ja, erg hè?’ ‘Nee, helemaal niet erg!’, vonden ze.”

Lees verder na de advertentie

Zo begon het.

“Als ik nu in een etalageruit kijk, denk ik vaak: ‘Hé, daar loopt mijn moeder.’ Daar moest het over gaan, dit gedicht. Dat de ‘ik’ steeds meer op haar moeder gaat lijken. Dat wilde ik vroeger nooit.”

Peuteren

Het ziet eruit alsof het in één vloeiende beweging op papier is gekomen, maar Neeltje Maria Min (1944) heeft lang aan de woorden zitten peuteren.

“Eerst stond die dochter te ‘kijken’, en dat vervelende woord, dat ‘kijken’, kon ik niet weg krijgen. Tot er opeens dit stond: ‘Zie je zeg ik tegen mijn dochter die achter me staat’.”

En toen het af was bleek het over meer dan alleen over moeder en dochter te gaan. “Wat er allemaal in zo’n gedicht sluipt, weet je nooit van te voren”, zegt Min. “Die spiegel bijvoorbeeld, die hing vroeger bij ons thuis in Bergen. In de gang. Op onze rooms-katholieke school, en ook wel van mijn moeder, hadden we geleerd: als je te lang in de spiegel kijkt, komt de duivel achter je aan. Als ik de gang door moest, króóp ik bijna, want zo kon ik onder de spiegel door. Dat werd lastiger toen ik ouder werd.

Het was een oude spiegel, het weer zat erin, en vlekken en barsten. Dat gezicht en dat weerbarstige haar, dat was er allemaal dus al.”

Legendarisch

De spiegel, de moeder, de kinderen, het gezinsleven, het zijn sporen die door Mins bescheiden oeuvre lopen, een oeuvre dat vaak teruggebracht wordt tot één gedicht. Hoe ze dat vindt?

“Jammer. En ook heel vervelend.” Ze leest het tijdens optredens niet meer voor. “Daar heb ik een hekel aan. Niet aan dat gedicht, hoor, dat kan er niks aan doen.”

Dat ene gedicht is ‘mijn moeder is mijn naam vergeten’. Waar ze het schreef en wanneer, weet ze nog precies. In Bergen, in 1963. Ze was negentien. Maar dat het, zoals Gerrit Komrij later zei, ‘legendarisch’ zou worden, nee, dat had ze nooit verwacht.

mijn moeder is mijn naam vergeten,
mijn kind weet nog niet hoe ik heet.
hoe moet ik mij geborgen weten?

noem mij, bevestig mijn bestaan,
laat mijn naam zijn als een keten.
noem mij, noem mij, spreek mij aan,
o, noem mij bij mijn diepste naam.

voor wie ik liefheb, wil ik heten.

Gekte

Het stond in haar debuut en het maakte Neeltje Maria Min in 1966 in één klap beroemd. Die bundel, ‘Voor wie ik liefheb wil ik heten’, werd een bestseller, er kwam herdruk op herdruk en rond de eeuwwisseling stond ‘mijn moeder is mijn naam vergeten’ nog altijd in de toptien van favoriete gedichten. Of de gekte van toen met de poëzie te maken had? Min betwijfelt het.

“Dat de bundel zo aansloeg kwam doordat ik een jong meisje was, en een ongehuwde moeder. En doordat ik geen opleiding had. Ik werd gezien als een veredelde debiel. Wij hadden thuis nog geen televisie, maar mensen gaan heel raar doen als er iemand in de buurt is die ze kennen uit de media. Zo bleek. Ik kreeg uitnodigingen om op feesten te komen van mensen die ik helemaal niet kende.

Jawel, het komt vast ook door het gedicht zelf, maar als er geen publiciteit rond de bundel was gemaakt, dan was het lekker rustig gebleven. Dat zou beter bij me gepast hebben. Misschien zou ik meer geschreven hebben. Ik was in ieder geval onbevangener gebleven.”

Dat de bundel zo aansloeg kwam doordat ik een jong meisje was

Na uw debuut was het bijna twintig jaar stil? 

“Er was ook niet zoveel tijd. Ik had het nogal druk met het moederschap.” Lachend: “Ik ben er nog moe van.

Om te schrijven heb je veel tijd nodig. Aan een uur heb je niks. En als je die tijd afdwingt, ben je ook verplicht om een gedicht te maken. Vaak genoeg moet je dagenlang wachten voordat het lukt. Ik vond het niet erg dat het niet kon, je kunt niet alles hebben.”

Weerloos

Pas in 1985 verscheen ‘Een vrouw bezoeken’. Ze is er kritisch over: “Mijn tweede bundel had veel beter kunnen zijn, maar ja, dan had ik nog twintig jaar kunnen wachten. En toen had ik inmiddels dit geschreven.” Ze wijst op ‘Kindsbeen’. “Dit vind ik in zijn geheel een goeie bundel.” Ze leest voor: Zijn attributen zijn nog ver: / de wandelstok, de bril, de hoed. / Dit is alleen maar het begin, / voeding en slaap, daartussenin / de moeder met de zachte stem, / nog niet aan hoe hij heet gewend. / Hem is de veiligheid, de overvloed. / Een zuigeling, de voet nog aan de meet, / hij weet en doet nog niets om te vergeten, / een sterveling die eerst nog leven moet.

“Hier staat in wat ik bedoel. Een pasgeboren kind is weerloos. Waar het zich mee gaat vermommen, weet je nog allemaal niet. Het leven kan alle kanten op, het kind zal keuzes moeten maken: laat ik mijn snor staan of niet? Welke afslagen het zal nemen, kun je niet van te voren bedenken. Maar als je de wandelstok en de hoed en de bril al klaarlegt, zullen ze niet gebruikt worden, vermoed ik.”

Ik denk dat er veel gezinsleven in mijn gedichten terecht is gekomen

Ze bladert door ‘Kindsbeen’. Wijst regels aan die hun aanleiding vonden in het alledaagse leven. Herinneringen van toen ze zelf nog kind was: Tuin waar het donker is bezocht, de / namaaknacht doorwaakt. Steen hield / geheim wie hem had aangeraakt. Nat / blad en zwam, vocht van oud / hout, in kleren geur daarvan.

“Ons huis in Bergen had een grote tuin en elke ochtend. Nog voor ik naar school ging, wandelde ik daar altijd even doorheen.” Een ander gedicht brengt een herinnering boven aan de keer dat de oudste met zijn hand door de glazen tussendeur was gegaan. En hier staat ze met haar kleindochter voor de spiegel. Kind van mijn zoon. Haar schuimen kraag blaast / taal.

“Ja, ik denk dat er veel gezinsleven in mijn gedichten terecht is gekomen, al ben ik dat er niet bewust in gaan stoppen. En er zit ook heel veel onzin in, hoor! Gewoon fantasie. Het stel dat in deze regels aan tafel zit bijvoorbeeld, dat zag Jan Eijkelboom (dichter, JM) ooit, toen hij door de Noord-Hollandse polder reed. Een man en een vrouw tegenover elkaar aan een hele lange tafel. Waarover zij zwijgen spreekt uit het ontbreken / van struikelgoed: autootjes, boeken en stuiters. De kinderen het huis uit, en niks meer om over te praten.”

Uw werk laat veel kanten van moederschap zien. Ook de donkere.

“Er is natuurlijk heel veel niet leuk in het leven. Bij mij is er sinds mijn oudste kind geboren werd altijd het gevoel geweest dat er ook iets kon gebeuren. Dat het weer van je afgenomen kon worden. De dagelijkse dingen heb ik nooit als last ervaren, toch blijf ik bezorgd, zelfs nu ze ouder zijn. Maar er moet ook plezier gemaakt worden!”

toen jij mij baarde / was het vonnis al geveld. / mijn dood / begon al in jouw schoot. 

De geboorte van nieuw leven, is ook de geboorte van sterfelijkheid?

“Ja, en daar kan honderd jaar tussen zitten. Misschien komt dat duistere, die dood ook wel door wat ik vroeger allemaal las. Ik moet de laatste tijd weer veel denken aan een gedicht van Gerard den Brabander.” Min citeert uit haar hoofd: Ik, kleine slaaf van poëzie en taal, / mij was ter borst de eerste melk al schraal. / Zó droef, zó dun klonk ’t moedermonds verhaal / waar het kanon in doorklonk van Transvaal, / en zó vol tranen was het kleine lied / van bruut verraad en simpel boers verdriet, / dat, wat mij voedde, woord en melk en brood, / dit ál doortrokken was van dood en dood.

Neeltje Maria Min © Jörgen Caris

“Met dat soort gedichten ben ik opgegroeid. Tussen mijn twaalfde en mijn vijftiende las ik ontzettend veel. Achterberg, Nijhoff, Slauerhoff leerde ik uit mijn hoofd. En Lucebert, zonder zijn poëzie was ik nooit mijn puberteit doorgekomen. Al die gedichten zitten er nog steeds. Heel handig, merkte ik toen ik laatst eens drie kwartier stil in een scan moest liggen. Ik dacht: ik ga in mijn hoofd gedichten opzeggen. Toen ik klaar was, had ik nog over.”

Die poëzie stond thuis in de kast?

“Behalve Lucebert, die kocht ik van mijn zelf gespaarde zakgeld. Mijn zus was mijn gids. Die zei: ‘Je moet dit of dat eens lezen.’ Ik was als kind vaak ziek. Dan hoefde ik niet naar school. Soms ging mijn moeder even de deur uit. Dan had ik zomaar, drie uur lang, het huis voor mij alleen - we hadden zes kinderen, dus dat gebeurde bijna nooit. Dan pakte ik Achterberg en ging lezen. Hardop. En ik wist dat ik dat later het liefst zou doen: iemand anders’ gedichten lezen.” Een portret van Nijhoff hangt nog altijd in Mins woonkamer. Hij waakt over de boeken. 

Wat vindt u ervan dat ‘De moeder de vrouw’ motto werd voor de Boekenweek?

“Dat bevalt mij wel. Zo worden die ouderen ten minste niet helemaal vergeten. Daarbij, ik heb erg leuke herinneringen aan dat gedicht. Toen mijn man nog leefde, lag er altijd iets van Nijhoff naast het bed. Mijn man sliep makkelijker dan ik en daar had ik de pest aan. Op een avond dat hij weer eens eerder in slaap gevallen was, ging ik ‘De moeder de vrouw’ in het Noord-Hollands voorlezen. Hij werd er wakker van, en toen wilde hij het nog eens horen.”

Een handvol bundels, enkele verspreide gedichten, Mins oeuvre is klein en dat zal het ook blijven. “Tussen mijn twaalfde en mijn eenentwintigste schreef ik veel, heel veel. Altijd papier en pen bij me, waar ik ook was. Daarna dacht ik: ik kan het ook gewoon onthouden. Nu denk ik: als ik het vergeet, zal het niet belangrijk zijn. Ik krijg regelmatig een verzoek of ik iets wil schrijven. Vaak begin er ik wel aan, maar dan maak ik het niet af. Het plezier van het verzinnen vind ik genoeg.”

Neeltje Maria Min (Bergen, 1944) begon met publiceren onder het pseudoniem Sophie Perk. In 1966 verscheen onder haar eigen naam haar poëziedebuut ‘Voor wie ik liefheb wil ik heten’. Het daarin opgenomen ‘mijn moeder is mijn naam vergeten’ werd een van de beroemdste gedichten uit de Nederlandse poëziegeschiedenis. Min publiceerde nog twee bundels: ‘Een vrouw bezoeken’ in 1985, en ‘Kindsbeen’ in 1995.

Onderstaand gedicht schreef Neeltje Maria Min speciaal voor Letter&Geest in aanloop naar de Boekenweek 2019 met als thema ‘de moeder de vrouw’.

Zie je zeg ik tegen mijn dochter die achter mij staat
hoe erg ik op mijn moeder ga lijken:
dat weerbarstige haar die vlekken die
ontevreden trekken rond de mond

wij maken ons op voor de toekomst
haar zoon moet naar school en naar voetbal
de voordeur staat wagenwijd open
wij lopen de loper af

mijn oud gezicht blijft nog lang
in de gangspiegel hangen.

Deel dit artikel

Dat de bundel zo aansloeg kwam doordat ik een jong meisje was

Ik denk dat er veel gezinsleven in mijn gedichten terecht is gekomen