Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Nederland was vroeg met moderne economische groei

Cultuur

MARJOLEIN 'T HART

Review

Jan de Vries en Ad van der Woude: Nederland 1500-1815 - De eerste ronde van moderne economische groei. Balans, Amsterdam; 894 blz. - ¿ 85 (tot 1 september 1995, daarna ¿ 100). Dr. M. C. 't Hart (1955) is (sociaal-economisch) historicus, verbonden aan de Universiteit van Amsterdam.

Bijna vijftien jaar hebben Jan de Vries en Ad van der Woude - hoogleraren respectievelijk aan de Berkeley University in Californië en de Landbouwuniversiteit in Wageningen - aan dit nieuwe overzicht gewerkt. Het resultaat, in een plezierige vorm door Balans uitgegeven, beslaat bijna 900 pagina's.

Het boek bestrijkt een tijdvak van meer dan drie eeuwen en bevat een schat aan informatie, voornamelijk over de economische geschiedenis, maar er zijn ook paragrafen met sociale, geografische en politieke aspecten.

De auteurs hebben zich met zorg beijverd, de laatste wetenschappelijke vernieuwingen op hun vakgebied een plaatste geven. Zij zijn daar goeddeels in geslaagd, weliswaar met het gevolg dat het boek onvangrijker is geworden dan ze hadden voorzien, en dat de tekst hier en daar wat overlappingen vertoont.

Aan de rijkdom van het gepresenteerde doet dit uiteraard niets af. Allereerst komen de structuren aan bod: de geografische gesteldheid, het milieu, het klimaat, de grootschalige economische golfbewegingen, de bevolking, de concentratie in de steden en de ontwikkeling van de geldeconomie. Dat deze structurele elementen aan het begin komen, is geen toeval: het boek past wat dat betreft in de school van de Franse Annales, een traditie waaraan onverbrekelijk de naam is verbonden van Fernand Braudel (1902-1985), beroemd om zijn werk over de Middellandse Zee en de trilogie Civilisation matérielle, économie et capitalisme (xve-xviiie siècles). In Nederland heeft deze vorm van economische geschiedschrijving zich met name in Wageningen genesteld.

Naast die structurele aanpak klinkt ook een meer Amerikaanse historiografische traditie in het boek door, die van de homo oeconomicus, de rationeel handelende mens. In het hoofdstuk getiteld 'Drie vragen' constateren de auteurs dat onafhankelijkheid, individualiteit en rationaliteit overheersende elementen waren in de mentaliteit van de Nederlanders. Het was een 'erfenis' van de middeleeuwse situatie waarin de adel zwak was geweest en de stedelijke cultuur zich vroeg had ontwikkeld. Dat werkte door in de marktoriëntatie, in het vrije ondernemerschap en in de (voor vroeg-moderne begrippen) kleine gezinnen. Helaas is de uitwerking van deze vooronderstelling tamelijk zwak en gestoeld op nogal verouderde literatuur, vooral als de schrijvers de vraag proberen te beantwoorden of er een calvinistische economie was.

Na de structuren en de mentaliteit beschrijven de auteurs een aantal sectoren die onmisbaar zijn om het geheel van de Nederlandse economie te begrijpen: de landbouw, de visserij, de nijverheid, de handel en de koloniale bezittingen.

In eerste instantie richtten de handelaren zich op de Europese markt met traditionele goederen als graan, hout, haring, textiel en zout. Toen deze takken van handel omstreeks 1670 terugliepen, boden de koloniale waren een aantrekkelijk alternatief.

In het hoofdstuk 'Stad en Land' komt de sociale opbouw van de bevolking aan bod: de gegevens over de positie en inkomsten van diverse beroepsgroepen, zowel in de stad als op het platteland, worden breed uitgemeten. Al sinds 1650 had Nederland een vrij geavanceerde beroepsstructuur. Zelfs op het platteland was 30 tot 50 procent van de werkzame bevolking actief buiten de agrarische sector! Voor heel Nederland gold ongeveer de volgende verdeling van de beroepsbevolking: in de landbouw werkte slechts 41 procent, in de nijverheid 32 en in de sector diensten, handel en 'overige' maar liefst al 26 procent. Het hoofdstuk 'Levenstandaard en arbeidsmarkt' belicht loonvorming, koopkracht, het functioneren van de arbeidsmarkt en de armenzorg. De meeste Nederlanders, constateren de auteurs, hadden een vrij stabiele bestaanszekerheid, een situatie die slechts in weinig andere landen werd geëvenaard.

Het laatste hoofdstuk, 'Macro-economische beschouwingen', vormt de apotheose van het boek. In een paar rake typeringen wordt de ontwikkeling van de Nederlandse economie geschetst: een aanlooptijd naar bloei tussen 1480 en 1585, een groeiexplosie tussen 1585 en 1621, gevolgd door uitbouw en consolidatie (de 'Gouden Eeuw') tot omstreeks 1670. Een tijdvak van crisis en aanpassing volgt. Niet dat het ineens bijzonder slecht gaat (de rijken worden nog steeds rijker), maar de expansieve periode is voorbij en Nederland krijgt steeds meer internationale concurrentie te duchten. Na 1740 zijn er op verschillende fronten tekenen van herstel te zien, maar 1780-1815 moet helaas als de 'terminale fase' bestempeld worden.

Ondanks die relatieve neergang constateren de auteurs dat de Nederlandse economie als eerste in de wereld een niet aflatende groei heeft laten zien, die de gehele samenleving en alle sectoren omvatte. Overtuigend stellen zij vast dat zich hier een 'moderne economische groei' manifesteerde - een term die tot nu toe voorbehouden was aan de economieën van ná de Industriële Revolutie. Nederland wordt daardoor de eerste 'moderne volkshuishouding' in de geschiedenis zonder dat daar een industriële revolutie aan vooraf ging. Desondanks was Nederland al behoorlijk geïndustrialiseerd (zij het niet met stoomkracht), zoals uit het hoofdstuk over de nijverheid blijkt.

De hoge graad van verstedelijking, de progressieve elementen in de belastingen, een modern aandoend beheer van een enorme staatsschuld, het hoge verbruik van energie, een zeer ontwikkeld produktieniveau, de hoge scholingsgraad van de beroepsbevolking, het wereldwijde handelsnetwerk, de hoge produktiviteit in de landbouw maar ook het vérgaand ingrijpen in de natuur en de verscherping van de tegenstellingen tussen arm en rijk - het zijn allemaal elementen die met die economische groei samenhangen. In één band zijn die bouwstenen nu bijeen gebracht. Met recht mag dit boek een standaardwerk van de economische geschiedschrijving heten.

Deel dit artikel