Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Nederland is een rivierenland, ook in de literaire waterwerken

Cultuur

Rob Schouten

© Hollandse Hoogte

Rauwe natuur vindt Rob Schouten niet in onze stadse letteren, wel landschappen met een boodschap.

Hoewel we vorige week nog even over sloten en langs rietkragen mochten schaatsen, bestaat toch de indruk dat we langzamerhand in een versteende stadsstaat wonen. Ach, het is niet nieuw. De negentiende-eeuwse dichter Potgieter wist het al, Nederland had de natuur overwonnen, aan onze horizons geen bomen maar kerktorens. Dat was overigens wel volgens Gods eigen wijze raadsbesluit: ‘U schiep natuur met een stiefmoeders hand’. Maar ontevreden mocht je er natuurlijk niet over zijn, dus voegde hij er haastig en vroom aan toe: ‘Toch heb ik innig u lief, o mijn land.’

Lees verder na de advertentie

Een eeuw later constateerde J.C. Bloem hetzelfde in een van de beroemdste gedichten van onze literatuur: ‘En dan, wat is natuur nog in dit land?’ vroeg hij zich af. Pure natuur is er niet, hoogstens in cultuur gebrachte natuur: het landschap. Nederland is een land van landschappen, niet van natuur.

Toch deden veel dichters of hun neus bloedde. Decennialang heerste het botaniseertrommeltje in onze dichtkunst, hoezeer om ons heen de boel ook werd volgestouwd met hijskranen en nieuwbouwwijken. Van de stad moesten de meesten niet veel hebben. Albert Verwey, wandelend over iets typisch stedelijks als de Albert Cuypmarkt, schreef over de vele mensen die hij er zag: ‘Leeghoofden, bung’lend boven volle buiken. Hun mond stinkt dwaasheid uit als vunze kruiken.’ Nee, dan de natuur, dat vat vol metafysische wijsheid en raad, waarin leeuweriken tot in de hemel zongen en reigers een soort dichters waren, zoekend naar inspiratie in onze sloten: “Een reiger loopt voorzichtig / op hoge poten door / de sloot en brengt zijn spieden / ook als het donker is / als witvis aan het licht.”

Natuurgedicht

Tot in de jaren tachtig blijven, zoals in dit gedicht van Chris van Geel, vogelaars en boswachters de toon in onze dichtkunst aangeven. Pas de laatste decennia ontstond er, naast het escapistische natuurgedicht, zoiets als het stadsgedicht, al waren er natuurlijk altijd wel wat eerdere uitzonderingen zoals Remco Campert, een typische stadsdichter. En opmerkelijk genoeg lijkt het natuurgedicht, met zijn makers, de laatste tijd vooral op reis te gaan, het buitenland in. Een gedicht dat ik nooit zal vergeten is dat van Arjen Duinker op bezoek in den vreemde: “Wat is dit een mooi land! / Natuur! Vertier! / Water, bloemen en planten en dieren / Wat een mooi land! Zee, Bergen! Heuvels!”

Van Mulisch tot streekroman: de Nederlandse literatuur is één groot Deltaplan

Bij de mannen en vrouwen van de langere adem, de prozaïsten was het besef van Potgieter en Bloem dan al veel eerder ingedaald. De natuurbeleving werd gestald bij de mindere goden, in de streekromans. Zelfs een eenvoudige Natureingang kon er nog maar zelden van af. Hermans, Reve, Mulisch, allemaal typisch verstedelijkte auteurs, zonder veel oog voor natuur. Een begin als dit is een zeldzaamheid geworden: “Wie vanuit het oosten komt, van bij de Duitse grens, ziet ten slotte, over het onafzienbare veen, een grijze streep aan de horizon, en wie voor de eerste keer die weg aflegt en de rivier wil oversteken, denkt dat hij voetveer en Veluwezoom al nadert. Maar de onwetende reiziger is nog kilometers van de rivier verwijderd en onderscheidt in het platte veen, verspreid opdoemend, wonderlijke opstuikingen in het landschap”, de opmaat van Jan Siebelinks ‘Knielen op een bed violen’.

Daar hebben we ook de quintessens van wat er in de Nederlandse literatuur nog over is van natuur, het water, de rivier in beeld. Want Nederland is, ook in de letteren, een delta. Het is allemaal water wat de klok slaat, zelfs als schrijvers de aandacht op iets anders willen vestigen, zoals de dichter K. Michel die meldt ‘Een fietser heeft zaterdagavond drie uur / voor de geopende Calandbrug in de Europoort gewacht’ of Cornelius Bastiaan Vaandrager die in ‘De hef’ geroerd bij de Hefbrug over de Rotterdamse Koningshaven staat: “De Hef is vol beweeglijkheid, die ik begeer. Zie hier: Amsterdam-Parijstreinen die erover vliegen onder machtige stuwing van zwart metaal en witte stoom.”

Water, water, water: “Denkend aan Holland zie ik brede rivieren traag door oneindig laagland gaan.” En de lezer zal zich herinneren dat hoofdpersoon Quinten in Mulisch’ ‘De ontdekking van de hemel’ in zee is verwekt, een hoogtepunt in het oneigenlijk gebruik van ons dierbaarste element.

Nederland is een rivierenland, ook in de literaire waterwerken. “Dit is mijn droom - het kleine huis aan de rivier; / het rusteloze scheren van de zwaluw gaat er / langs dak en raam; de roodborst nestelt bij de vlier. / Een schip zeilt traag voorbij; de bel luidt over het water.” schreef Ida Gerhardt in ‘Thuiskomst’.

Traag verhaal

Maar de grootste rivieren vinden we toch in de streekromans, waar de Nederlandse letteren haar aandelen in de natuur heeft geparkeerd. In ‘De geschiedenis van de Nederlandse literatuur’ treffen we een apart hoofdstukje aan ‘De grote rivieren’, het is alleen slechts één pagina groot. De twee boeken die er daar met kop en schouder boven uitsteken zijn ‘Het wassende water’ van Herman de Man uit 1925, en ‘Dorp aan de rivier’ (1934) van Antoon Coolen. Die laatste werd door Maarten ’t Hart zelfs met William Faulkner vergeleken. Het is een traag verhaal, traag als de rivier die er doorheen stroomt: “De Maas ligt langs dit dorp. Zij komt ernaartoe gestroomd. Zij vloeit er vriendelijk langs. Zij buigt er zich weer van af. Zij ligt in de blanke boorden der verzandingen in haar bochten, in het fluwelen groen van vlak gevlijde uiterwaarden, tussen de welige ruigten der grienden. Een stomertje trekt tegen stroom op. Een schokker ligt pal stil verankerd boven zijn spiegelbeeld, waar trillende rimpels in slaan. De kribben van basalt steken in het water, in de verte ligt een schuit, en over het water gaat nadrukkelijk het verre geratel der kettingen en kabels van het kalme, platte veer, waar mensen stil op staan en een klein paard droomt voor de stille kar. Het dorp ligt achter de dijk, het ligt met een straat, met een lange rij huizen hoog op de dijk. Een spits kerktorentje steekt boven de daken en boven de bomen uit.”

De lezer zal zich herinneren dat hoofdpersoon Quinten in Mulisch’ ‘De ontdekking van de hemel’ in zee is verwekt

Zo begint het, Nederland op z’n natuurlijkst, of landschappelijkst. Maar hoofdpersoon is niet de Maas maar een eigenzinnige plattelandsdokter, naar wiens wonderlijke verhalen we moeten luisteren. Ook in die andere grote waterroman, ‘Het wassende water’ van Herman de Man, komt toch vooral een typisch Nederlandse held bovendrijven, Gieljan Beijen, misschien wel de meest calvinistische held uit de Nederlandse literatuur (beschreven door een tot het katholicisme bekeerde Jood). Zeker, het water stijgt, het groene hart staat onder water maar in het befaamde slothoofdstuk waarnaar het boek genoemd is gaat het toch vooral om de geloofsstrijd van Gieljan: “In Gieljans ziel wou de gisting na die zware emoties aan de dijk toch maar niet luwen.”Geen landschap zonder boodschap.

Echt onversneden natuurromans durft de Nederlandse schrijver niet aan. En als het om onze meest eigen biotoop gaat, het water, is hij misschien wel bang erin te verzuipen, zoals in het oude lied ‘Het waren twee conincskinderen’, waar twee gescheiden jonge gelieven gefrustreerd rondlopen want ‘het water was veel te diep’. Eeuwen later schreef Margriet de Moor haar roman ‘De verdronkene’, over een vrouw die tijdens de watersnoodramp van 1953 verdrinkt, met een fysieke paniek die allengs overgaat in existentiële berusting: “Ze rilde onophoudelijk, had allang het benul niet meer om zich af te vragen wie ze was, maar zei in haar hart nog wel zachtjes: “Híér. Ik ben híér!”

Het is een van de weinige romans waarin de natuur wint van de beschaving. Voor de rest is de Nederlandse literatuur één groot Deltaplan.

Deel dit artikel

Van Mulisch tot streekroman: de Nederlandse literatuur is één groot Deltaplan

De lezer zal zich herinneren dat hoofdpersoon Quinten in Mulisch’ ‘De ontdekking van de hemel’ in zee is verwekt