Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Nabokovs poëzie mislukt? Allerminst, dunkt me

Cultuur

Janita Monna

Janita Monna schrijft wekelijk over poëzie voor Trouw © Maartje Geels
Poëzie

‘Een mislukt dichter.’ Dat was het harde oordeel dat Joseph Brodsky velde nadat hij eens een gedicht van zijn landgenoot Vladimir Nabokov had moeten vertalen. ‘De demon’, Nabokov schreef het toen hij 25 was. ‘Geen muziek verhevener dan stilte. Voor onverbiddelijk/ zwijgen ben jij geschapen.’

Die Nederlandse vertaling is van Huub Beurskens en is te lezen in de onlangs verschenen, tweetalige ‘Verzamelde gedichten’. Beurskens, dichter en prozaïst, vertaalde eerder onder meer W.H. Auden, William Carlos Williams en Gottfried Benn.

Lees verder na de advertentie

De vertaalgeschiedenis van deze gedichten is nogal complex. Nabokov schreef zowel in het Russisch als in het Engels. Beurskens, het Russisch niet machtig, zegt ‘Grotendeels zijns wijs, deel eigenwijs’, vertaald te hebben. Hij baseerde zich op Engelse vertalingen, van Nabokov zelf, en van zijn zoon.

Zo’n vertaling, schreef Nabokov in ‘Over het vertalen van Jevgeni Onegin’, heeft iets van een familielid. Geen exacte kopie van het origineel, maar wel een ‘neefje’ daarvan, met opvallende gelijkenis: ‘in een nieuwe taal vervat,/ liet ik een jonge scheut naar boven/ komen, maakte van je sonnettige strofe/ mijn welgemeend straatkantproza,/ vol doornen, maar neefje van jouw rozen.’

Nabokov is voor de meeste lezers de auteur van ‘Lolita’, van ‘Gelach in het donker’, ‘Geheugen, spreek’. Van proza. Van romans die door hun stijl overrompelen.

Dat laatste gebeurt bij zijn poëzie niet meteen. Ook Beurskens erkent in zijn voorwoord ruiterlijk dat er mindere gedichten in deze verzamelbundel staan. Maar wie bijvoorbeeld het eerste gedicht even terzijde legt, ontdekt gaandeweg een veelkleurige stem. Een die lange, verhalende gedichten schreef waarin je kunt verdwijnen, zoals ‘Het universiteitsgedicht’ van 63 sonnetten. Een die - vanzelfsprekend - over vlinders schreef, maar ook over een koelkast, of een model. Een die scherp is, en ook grappig, die over de doden die hem ’s nachts bezoeken droogjes concludeert: ‘goeie genade! -, wat moet je de onaardse machten/ danken dat ze de doden in dromen laten verschijnen’.

Hij bekritiseert en hij parodieert, en dat doet hij vermakelijk, zoals bij een voordrachtsavondje over Russische poëzie. Maar wat vooral raakt zijn de talrijke keren dat heimwee opspeelt. Nabokov leefde in ballingschap, nadat zijn familie zich in 1919 gedwongen zag uit Rusland te vertrekken. Maar een land verlaten is niet een deur achter je dichttrekken en simpelweg verdergaan. Het geboorteland gaat niet weg. Het kan een spook zijn dat blijft kwellen, maar is evengoed het land van de taal die geborgenheid geeft:

“Het geluid van de zee, nee… een ander / gerucht is het in de gelatenheid van de nacht: / de zachte toon van mijn geboorteland, / het gezucht ervan, de ademhaling, de slag van het hart.// Daarin meegedragen worden het timbre / van dierbare, vroeg weggenomen stemmen, / evenals het zingen van Poesjkins verzen / en het aloude ruisen der dennen.”

Nabokovs poëzie mislukt? Allerminst, dunkt me. Alleen al om deze regels niet. En daarvan zijn er nog veel meer.

Zachtste aller talen 

Tot heel wat dingen sprak ik wat lippen misleidt

en ze verlaten achterlaat (: prosjtsjaj, het woord dat

‘vaarwel’ betekent) - tot gemeubileerde kamers, zei ik het,

tot straten zei ik het, tot melkwitte oplosletters in de lucht,

tot grauwe patronen die je zelden op kleding ziet,

tot romans, door razende tunnels onderbroken,

door zoevende bomen geannoteerd, liggen gelaten

met de schil van een banaan erin geplet,

tot een nog schimmige ober in een nog schimmigere stad,

tot wonden die genazen en tot een handschoen die geen duim

meer had, evenals tot zaken met poëtische allure

en universelere misschien, tot onder meer de liefde.

Daardoor was het leven een eindeloos spoor door land

dat even eindeloos terugweek… Dat was het dan,

zeg je bij jezelf, en je wuift met je hand,

wuift met je zakdoek en dan met je hoed.

Tot al deze dingen sprak ik het fatale woord,

in een taal die ik zo afgesteld had en gedresseerd

dat ik - als zo’n oude sonnettendichter - kon horen

hoe de weerklank ervan door het nageslacht werd hooggeacht.

Maar nu moet ook jij gaan, onze wegen gaan hier uiteen,

zachtste aller talen, mijn enig ware, mijn ene, vaste…

En mij rest niets anders dan naar kunst en hart te tasten

en opnieuw te beginnen met lompe werktuigen van steen.

Vladimir Nabokov
Verzamelde gedichten
Vert. Huub Beurskens (Koppernik); 400 blz. €34,90

Janita Monna schrijft wekelijks over poëzie voor Trouw.

Deel dit artikel