Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Na zestig jaar werpt liefde voor gnosticus haar vrucht af

Cultuur

Cokky van Limpt

Review

Carl Gustav Jung heeft hij goed gekend, Gershom Scholem logeerde bij hem en bij koningin Juliana was hij een graag geziene gast. ,,Zonder haar hulp zat het Thomasevangelie nu nog in een koffer in Cairo.'' Bij het verschijnen van zijn boek over de gnosticus Valentinus kijkt Gilles Quispel, peetvader van het Nederlandse gnosis-onderzoek, terug op zijn avontuurlijk leven.

Midden in de Tweede Wereldoorlog schreef Gilles Quispel (1916) zijn eerste werk over Valentinus, 'de grootste gnosticus van de Oudheid'. ,,Mijn Groningse leermeester prof. Gerardus van der Leeuw stuurde het terug met de opmerking: 'Ik weet niet waar Valentinus eindigt en Quispel begint'.'' Nu, zestig jaar later, heeft Quispel 'in zijn ter kimme neigend leven' alsnog het boek over Valentinus geschreven dat er maar nooit van kwam.

Al op het Dordtse Gymnasium leerde Gilles Quispel door zijn leraar klassieke talen de gnosis kennen. Hij ging Grieks en Latijn in Leiden studeren en theologie in Leiden en Groningen. In 1943 -hij was leraar klassieke talen in Enschede- promoveerde Quispel op de geschriften van ketterjager Tertullianus tegen de gnosticus Marcion. Voor dat proefschrift moest hij allerlei oude schrijvers lezen die zich tegen de gnostici keerden.

,,Ik raakte vooral gefascineerd door de ideeën van Valentinus. De man was een denker als Hegel en bovendien van een zeldzame poëtische begaafdheid. In Valentinus' leer openbaart Christus een onbekende God -Diepte en Stilte- en legt Hij door Zijn woord het diepste wezen van de mens bloot. Dat vind ik een heel originele uitleg van het christendom. Valentinus was ook van mening dat de wereld een lach en een traan van de Wijsheid is. Zo'n beeld sprak wel aan in oorlogstijd. Ik zat daar in Enschede op mijn studeerkamer en zag hoe Engelse vliegtuigen werden neergeschoten, vaak op de dag des Heren en bij stralend weer. De vliegtuigen trokken witte strepen door de lucht en die jongens hingen daar aan hun parachute. Je wist: of ze vallen dood of ze worden afgemaakt. Toen kreeg ik een ingrijpende innerlijke ervaring: 'Er loopt een barst door het heelal'.''

Van Valentinus (ca.100-160) waren slechts enkele originele fragmenten bewaard gebleven, maar van zijn leerlingen grote stukken. De hele oorlog had Quispel die vergeleken en zo getracht de oorspronkelijke mythos van Valentinus te herstellen. Op basis daarvan schreef hij na de oorlog een artikel over Valentinus' leer in het aan de oudchristelijke letteren gewijde tijdschrift Vigiliae Christianae, dat hij samen met prof. Waszink had opgericht.

,,Ik stuurde een overdrukje naar Aldous Huxley in Californië, naar Karl Barth in Bazel en naar Carl Gustav Jung in Küsnacht-Zürich. Destijds verwonderde het me dat ik niets hoorde van Huxley en Barth. Nu verwondert het me dat Jung, toen al een wereldberoemdheid, een waarderende brief schreef. Jung zag iets in mij en nodigde me uit om een lezing over Valentinus te houden op de Eranosconferentie van 1947 in Ascona. Op een dag werden we geleid naar een terras met een heerlijk uitzicht over het Lago Maggiore. Daar kwam toen een heer aan met een strohoed op, een rood gezicht, grijs haar en een soort tennispak aan. Dat was Jung.''

Een paar dagen later zei mevrouw Froebe, die de Tagungen organiseerde, dat Quispel bij het diner maar eens naast een sombere Amerikaan van een jaar of veertig moest gaan zitten. ,,Hij zei niets, ik ook niet, maar op het einde van de maaltijd vroeg hij mij: do you want a scholarship? U kunt me geloven of niet, maar ik wist niet wat dat was. Maar als ze me iets aanbieden, zeg ik ja natuurlijk.''

Die man was Paul Mellon, toen een van de rijkste mensen ter wereld. Na de dood van zijn vrouw had hij de Bollingen Foundation opgericht, ter stimulering van kunsten en wetenschappen. Uit dit fonds kreeg Quispel een ruime beurs om een boek te schrijven over leven en werk van Valentinus. Hij ging met zijn gezin in Rome wonen, waar hij van 1948 tot 1949 voorstudies deed in de Vaticaanse bibliotheek.

Maar het boek over Valentinus kwam er niet: intussen deed het gerucht de ronde dat in Nag Hammadi in Egypte dertien codices waren gevonden met vijftig gnostische geschriften. Daaronder bevond zich een 'Evangelie der Waarheid', dat wel eens een oorspronkelijk werk van Valentinus kon zijn. ,,Snel ging ik Koptisch leren, want ik wist maar één ding: dát moet ik hebben. Als leraartje klopte ik aan bij de stichting van Zuiver Wetenschappelijk Onderzoek, maar daar stootte ik mijn hoofd: ze konden zich niet voorstellen dat er iets belangrijks was ontdekt door een Nederlander.''

Quispel alarmeerde de Bollingen Foundation en in 1951 werd in Ascona besloten dat de codex met het Evangelie der Waarheid naar Jung zou worden vernoemd en na uitgave aan de Egyptenaren zou worden teruggegeven. ,,Met moeite hadden we ontdekt dat deze codex uit Egypte in Brussel was terechtgekomen, bij een antiquair. Jung schreef de Foundation met het verzoek de codex aan te kopen. Maar de stichting was zelf bezig met opgravingen in Egypte en durfde het niet aan, uit angst voor gedonder met de autoriteiten.''

Uiteindelijk ging Quispel, met 35000 Zwitserse francs op zak -geschonken door de eigenaar van de Nestlé-fabrieken, die een patiënt was van een met Jung bevriende psychiater- op 10 mei 1952 per trein naar Brussel om de codex op te halen. ,,Het was een heel pak, in perspex verpakt, en bleek vijf papyrusboeken te bevatten uit de tweede eeuw, allemaal uit de school van Valentinus. De codex heeft hier anderhalf jaar op mijn kamer gestaan. Het schrift was zo helder -indertijd maakten ze inkt met roet- alsof het de dag van gisteren geschreven was.''

Meteen klonk kritiek: het was vervalst, het was niet van Valentinus. ,,Ik was zo fanatiek op die vondst gericht, dat ik me alle gekkenpraat wel heb aangetrokken maar me er niet door heb laten afschrikken.''

Quispel haalde de nieuwtestamenticus prof. Van Unnik erbij. ,,We zijn samen het Evangelie der Waarheid gaan ontcijferen. Toen we op passages stuitten over Christus als 'de Naam van God', wisten we dat we goud in handen hadden: de gnostiek bleek van joodse oorsprong te zijn. Ook Gershom Sholem, de grote kenner van de joodse mystiek, was het met mij eens dat het esoterisch-joodse wijsheid betrof, die de Valentinianen van joodse mystici moeten hebben overgenomen. Na anderhalf jaar hebben we het Evangelie der Waarheid in Zürich aan de wereldpers gepresenteerd. Alle kranten schreven erover.''

Vanuit Utrecht, waar Quispel inmiddels hoogleraar was in de geschiedenis van de vroege kerk, is de Codex Jung prachtig uitgegeven. Maar het boek dat Quispel over Valentinus wilde schrijven, kwam er wéér niet. Er waren in Nag Hammadi immers nóg twaalf codices met gnostische geschriften gevonden, waaronder een volledige, Koptische versie van het Thomasevangelie. Díe kostbaarheden lagen in een koffer in het Koptisch Museum in Cairo.

De afspraak met de Egyptische autoriteiten was dat de Codex Jung na publicatie terug zou gaan naar Egypte, op voorwaarde dat de andere twaalf codices door de 'daartoe bevoegde geleerden' bestudeerd en uitgegeven mochten worden. Maar het was moeilijk toegang te krijgen tot deze schat. Halverwege de jaren vijftig brak de Suez-crisis uit, de Egyptenaren hadden wel wat anders aan hun hoofd. Het is te danken aan koningin Juliana -bij wie Quispel vaak te gast was op Soestdijk en Het Loo, en die zelf bijzonder geïnteresseerd was in esoterie en gnostisch christendom- dat de Egyptische koffer in 1956 toch openging.

,,Koningin Juliana kreeg in 1955 een keer haar minister van buitenlandse zaken Beijen op bezoek, en die heeft ze toen uren beziggehouden over de ontdekking van Nag Hammadi, waar de goede man helemaal niets van wist. Ze droeg hem op om voor mij bij de Egyptische autoriteiten toegang tot de handschriften te krijgen. Op het ministerie van buitenlandse zaken heb ik later de correspondentie mogen inzien over Nag Hammadi. In een brief die Beijen destijds verstuurd heeft aan onze ambassadeur in Cairo, Cnoop Koopmans, staat: 'Deze zaak interesseert Hare Majesteit zeer en mij ook'.''

,,Juliana was me er eentje, hoor. Ze is een geestige en diep vrome vrouw. En ze heeft veel betekend voor de wetenschap, dat mag óók weleens gezegd. Ik kan u verzekeren dat als Juliana er niet was geweest, de Nag Hammadi-codices, inclusief het Thomasevangelie, nu nóg in die koffer lagen in het Koptisch museum, althans wat er dan nog van over zou zijn.'' Want toen de koffer uiteindelijk openging, moest er een flitsspuit aan te pas komen om de insecten te doden die in die handschriften zaten. ,,Kort en goed, toen mijn vrouw en ik uit Alexandrië moesten vluchten aan boord van een Amerikaans oorlogsschip, had ik een fotokopie van het Evangelie van Thomas, met onbekende woorden van Jezus, in mijn koffer.''

De bestudering van het Thomasevangelie en Quispels verdere wetenschappelijke bezigheden slorpten zoveel tijd op dat het tot 2002 zou duren -vijftig jaar nadat hij het Evangelie der Waarheid in handen kreeg- voordat hij zich zette aan het langverbeide boek over zijn geliefde Valentinus. Het is af, en de onvermoeibare auteur is alweer aan een volgend boek bezig. ,,Een commentaar op het Evangelie van Thomas. Ik ben al bij logion 65.''

Deel dit artikel