Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Marja Vuijsje is klaar met de clichés over feministen van de Tweede Golf: ‘We hadden ook veel lol’

Cultuur

Nicole Lucas

Marja Vuijsje © Merlijn Doomernik
Levenslessen

Schrijfster Marja Vuijsje (63), dochter van een Joodse bakkersknecht die Auschwitz overleefde, kijkt in haar boek ‘Oude dozen’ terug op haar feministische periode. ‘Ik was angstig. Ik schaamde me daarvoor, ik wilde stoer zijn.’

1 Onderschat jezelf niet

Lees verder na de advertentie

“Ik ben op mijn zestiende gaan werken. Mijn ouders waren intelligente mensen, die met een scherpe blik naar de wereld keken, maar zonder opleiding, ze hadden alleen lagere school. Mijn vader was bakkersknecht, hij was opgegroeid in de Joodse buurt in Amsterdam. Op aandringen van de meester uit de zesde klas ging ik naar de mulo. Voor mijn ouders was dat heel wat, haast iets als gaan studeren. Daarna ging ik als typiste werken, ook dat gold als een stap omhoog, weg van het echte, zware handwerk.

Onder meer via werkstudenten op kantoor kwam ik in aanraking met het feminisme. In 1976 heb ik me aangemeld voor een femsoc-groep (van feministisch socialisten, red). Ik was aanvankelijk nogal geïmponeerd, ik was de jongste en de enige werkende jongere. Het eerste boek dat we lazen was ‘De tweede sekse’ van Simone de Beauvoir. Veel boeken die ik toen heb gelezen, zijn allang de deur uit, maar dat heb ik nog. Het heeft veel gedaan voor mijn zelfvertrouwen. Deels vanwege de inhoud, maar meer nog omdat ik ontdekte dat ik die teksten best begreep. Het was ingewikkeld, maar ook weer niet zo ingewikkeld. Terwijl ik De Beauvoir altijd had geassocieerd met chique types uit een intellectueel milieu waar ik als arbeidersmeisje niet bij hoorde. Een paar jaar later ben ik naar de sociale academie gegaan.”

Ik kon niet verdrietig zijn na mijn moeders dood. Ik was alleen maar boos, ik gooide met glazen

2 Stop met die clichés

“Voor mijn onlangs verschenen boek ‘Oude dozen’ heb ik nog eens foto’s bekeken van mij en mijn vriendinnen uit de jaren zeventig. Natuurlijk waren er excentrieke types, maar ik was echt niet de enige die keek of ze een beetje leuke kleren aanhad en die haar ogen bleef opmaken. Ik word moe van al die clichés over de feministen van de Tweede Golf. Ik spreek nu veel jongere vrouwen die verbaasd zijn dat je met mij gewoon kunt praten, dat we toen ook enorm veel lol hadden. En die mannenhaat? Ach, de meeste vrouwen hadden gewoon een vriendje van wie ze veel hielden.”

3 Soms laat een trauma zich niet oplossen

“Mijn vader heeft in Auschwitz gezeten. Hij vertelde daar vaak over. Hij bracht het als een sprookje, met een goede afloop. Hij had het immers overleefd. Hij had zichzelf voor de oorlog trombone leren spelen en kwam in het kamporkest terecht. Daarmee kreeg dat verhaal ook nog iets romantisch. Toen ik tien, elf was begon ik het heel vervelend te vinden. Gingen we ’s avonds aan tafel, zei hij: ‘Wat hebben we het goed’, en dan begon hij over de koolsoep van destijds. Altijd kwamen we in Auschwitz terecht.

Tegelijkertijd was die openheid beperkt. Wat hij had gevoeld, daar ging het niet over. Hij vertelde met een uitgestreken gezicht, ik heb hem nooit zien huilen. Hij toonde nooit het soort gevoelens waarvan je denkt dat iemand die doormaakt van wie ouders, familieleden en vrienden zijn vermoord. Misschien kan het niet anders. Soms is het te groot wat mensen hebben meegemaakt. Zo’n trauma laat zich niet oplossen door er met je kinderen over te praten en dan je tranen de vrije loop te laten. En eerlijk gezegd weet ik niet hoe ik had gereageerd als hij een keer in mijn bijzijn was gebroken.”

4 Mensen verschillen

“Ik ben op mijn negentiende getrouwd, maar dat huwelijk heeft niet lang standgehouden. Ik wil niet zeggen dat mijn liefdesleven mislukt is. Ik heb goede relaties gehad, met aardige mannen, maar ze duurden niet voort. Er is iets in mij dat zich niet wil binden en dat heeft vast te maken met een wankele ondergrond als je uit een gezin komt waarin massamoord een belangrijke rol speelde.

Anderzijds: mijn broer Wim, twaalf jaar ouder dan ik, is als baby’tje van drie maanden naar een onderduikadres gebracht, ging in de oorlog van hand tot hand tot hij bij een boer in Friesland terechtkwam, waar mijn vader hem in 1945 weer heeft opgehaald. Vervolgens heeft hij van zijn zevende tot zijn twaalfde in een weeshuis gezeten. Het eerste huwelijk van mijn vader eindigde na de oorlog in een scheiding. Wim kwam bij mijn vader, maar die was een tijd niet in staat voor hem te zorgen. Je zou zeggen; typisch zo’n kind dat zich niet heeft kunnen hechten. Maar Wim is in 1966 in Israël getrouwd en dat is hij nog steeds. Hij heeft kinderen, kleinkinderen. Je kunt er geen algemene regel op loslaten.”

Ik was gauw klaar met die therapie. Dat je last hebt van de oorlog van je ouders hielp mij niet vooruit

5 Zorg voor een flexiweb

“Ik werkte nog op kantoor, ging weer eens weg bij een man, en zocht woonruimte. Een vrouw uit mijn femsoc-groep had een kamertje over, daar logeerden wel vaker vrouwen of mannen die tijdelijk onderdak nodig hadden. Ik ben daar uiteindelijk vijf jaar blijven hangen. Rond ons ontstond een vriendenkring die we het Flexiweb zijn gaan noemen. Het is een soort nest waar je altijd naar terug kunt keren. We hebben elkaars ouders gekend, dat geeft een gevoel van verankering. Als ik me rot voel of ziek, of als er een hoogtijdag is, bijvoorbeeld als er een boek wordt gepresenteerd, zijn het eerder mijn vrienden van het Flexiweb die een rol spelen dan mijn familie.”

6 Soms moet je stoppen met stoer zijn

“Ik kon nogal angstig zijn. Ik schaamde me dood daarvoor, ik wilde stoer zijn. Begin jaren tachtig werd het erger, ik werd soms overvallen door blinde paniek. Ik woonde in de Jodenbreestraat, vlakbij kwam de Stopera. Het bouwterrein was omringd met een enorm hek, er stonden grote schijnwerpers, ’s ochtends om zes uur begon het heien. Het triggerde van alles waarvan werd gedacht dat het met de oorlogsgeschiedenis van mijn vader te maken had. Ik heb me aangesloten bij een therapiegroep van zogeheten tweedegeneratie-Joden, maar daar was ik gauw klaar mee. Het idee dat je last hebt van de oorlog van je ouders hielp mij toen niet vooruit. Bovendien was het ook weer niet zo dat ik dagen of weken in een angstaanval bleef zitten. Maar jaren later ben ik toch naar een psychiater gestapt en ben ik zes jaar in psychoanalyse geweest.” 

Marja Vuijsje: “Toen mijn moeder plotseling overleed zei een van mijn tantes: ‘Het is voor jou heel naar om je moeder te verliezen, maar voor je vader is het nog veel erger, want die is al zoveel familieleden kwijtgeraakt.’ ” © Merlijn Doomernik

7 Rouwen mag

“Mijn moeder is heel plotseling overleden, ik was zeventien. Ik had die dag een snipperdag genomen, we hadden samen stofjes gekocht. Toen we thuiskwamen, wilde ze dat ik een jurk paste die ze voor mij aan het maken was, zodat ze de zoom kon afspelden. We hebben het over 1972, die jurk was heel kort. Mijn vader zag het en werd boos, ‘mijn dochter hoeft er toch niet bij te lopen als de eerste de beste hoer’. Voor mijn moeder was dat aanleiding om hevige ruzie te maken, dat gebeurde in die tijd wel vaker, en toen ben ik weggelopen. Normaal koos ik haar kant, maar dat deed ik nu niet, ik was het zat. Ik ben in mijn kamer gaan zitten, zij is met hoofdpijn naar bed gegaan. ’s Avonds is ze doodgegaan aan een hersenbloeding.

Het was heel wreed om zo afscheid te nemen. Het is voor mij behoorlijk schokkend geweest, maar daar heb ik heel stug overheen geleefd. In die tijd had je nog geen uitvoerige rouwcultuur en ik werd natuurlijk opgevoed door mensen die al helemaal niet waren van ‘nou moet je eens lekker in dat verdriet gaan zitten’. Een van mijn tantes zei: ‘Het is voor jou heel naar om je moeder te verliezen, maar voor je vader is het nog veel erger, want die is al zoveel familieleden kwijtgeraakt.’ En dat beaamde ik. Theoretisch. Ik kon niet verdrietig zijn in die periode. Ik was alleen maar boos, ik gooide voortdurend met glazen.

Ik moest veel ouder zijn om milder naar dat gezin van toen te kunnen kijken. Naar mijn ouders en naar mezelf. Nu denk ik: kind, wat was je jong.”

8 Kijk over de grenzen heen

“Ik had ‘Ons kamp’ geschreven, over de geschiedenis van mijn Joodse familie, en had daarna enorme behoefte om de wereld vanuit een heel andere invalshoek te bekijken, een waarbij die Tweede Wereldoorlog niet voortdurend onder de huid zit. Dat werd mijn boek over Iran, ik ben echt verliefd op dat land geworden. De hoofdpersoon van ‘Het rijbewijs van Nematollah’ is iets jonger dan ik, maar ik ontdekte dat we veel gemeen hadden. De boeken bijvoorbeeld die ons in de jaren zeventig begeleidden. Doris Lessing, De Beauvoir, al die marxistische werken: die werden ook door Iraniërs gelezen.

Ik vind het eng wat er nu gebeurt, de opkomst van een soort nostalgisch nationalisme, het ophemelen van de eigen soort

In deze tijd lijkt het soms alsof mensen die hierheen komen - Afghanen, Syriërs, Irakezen, Iraniërs - uit een heel vreemde wereld afkomstig zijn, waar we nooit iets van kunnen begrijpen. Maar het is verbazingwekkend hoeveel je met elkaar gemeen kunt hebben.”

9 Wees alert

“Mijn vader kwam uit een gezin dat deel was van de rode familie, de sociaal-democratische zuil. Er zijn foto’s uit de jaren dertig van twee van zijn jongere broers op een AJC-kamp. Die jongens hadden echt het gevoel dat ze op weg waren naar een stralende, socialistische toekomst. En dan weet je hoe het is geëindigd: een van hen is vermoord, de ander heeft de rest van zijn leven met een schuldgevoel rondgelopen. Het is voor mij reden toch steeds op mijn hoede te zijn. Wie wordt verrader, wie wordt held? Wanneer kun je je vinger nog in de dijk stoppen?

Ik vind het eng wat er nu gebeurt, de opkomst van een soort nostalgisch nationalisme, het ophemelen van de eigen soort. Ik vind het moeilijk om optimistisch te blijven. Maar een actievoerder ben ik nooit geweest. Ik zeg weleens wat, maar ik heb altijd veel tekst nodig, dat werkt niet echt in deze tijd van Twitter en Facebook. Ik schrijf af en toe een boek waarin ik een kanttekening zet. Het liefst zit ik in de coulissen van de geschiedenis.” 

Marja Vuijsje © Merlijn Doomernik

Marja Vuijsje

Marja Vuijsje (1955) groeide op in de Indische buurt in Amsterdam. Ze ging naar de mulo en werkte daarna een aantal jaar als typiste. Van 1978 tot 1982 studeerde ze aan de sociale academie in Amsterdam. Ze werkte als journalist onder meer voor Opzij, Vara en de NOS. In 2008 verscheen haar eerste boek ‘Joke Smit. Biografie van een feministe’. Vier jaar later kwam ‘Ons kamp. Een min of meer Joodse geschiedenis’, in 2015 gevolgd door ‘Het rijbewijs van Nematollah. Een migratiegeschiedenis’. Onlangs publiceerde ze ‘Oude dozen. Een min of meer feministische leesgeschiedenis’ (€ 21,99, 256 blz, uitg. AtlasContact).

Levenslessen

Trouw vraagt wekelijks een bekende of minder bekende Nederlander: welke levenslessen heeft u geleerd? Eerdere afleveringen vindt u op trouw.nl/levenslessen.

Deel dit artikel

Ik kon niet verdrietig zijn na mijn moeders dood. Ik was alleen maar boos, ik gooide met glazen

Ik was gauw klaar met die therapie. Dat je last hebt van de oorlog van je ouders hielp mij niet vooruit

Ik vind het eng wat er nu gebeurt, de opkomst van een soort nostalgisch nationalisme, het ophemelen van de eigen soort