Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Maria Magdalena: broeierige hoer, kuise apostel, mystieke minnares

Cultuur

TON CRIJNEN

Review

Susan Haskins: Mary Magdalen, myth and metaphor. Uitg. HarperCollins London. Importeur Nilsson en Lamm, Amsterdam. 518 blz. - f 80,75.

In de rockopera Jezus Christ Superstar (1970) afgeschilderd als hoer die door haar liefde voor de Heer op het goede pad werd gebracht, door een prominent exegeet als de Amerikaan William Phipps omschreven als vermoedelijke echtgenote van de Messias (1989) en in Martin Scorsese's film The Last Temptation of Christ (1992) getoond als lustobject voor de gekruisigde Verlosser blijft zij felle emoties opwekken, resulterend in bomaanslagen en het afdwingen van censuur.

Voor de Britse kunsthistorica Susan Haskins was dit alles reden om de persoon van Maria Magdalena aan een grondige studie te onderwerpen (Mary Magdalen, myth and metaphor).

Volgens Haskins zijn de bovengenoemde drie interpretaties schoolvoorbeelden van de vrouwonvriendelijke manier waarop zo'n achttienhonderd jaar met de figuur van Maria Magdalena is omgesprongen. Van een kuise 'apostel voor de apostelen' (Heilige Hippolytus ca.170 - ca. 235) werd ze al in de derde eeuw gedegradeerd tot 'boetvaardige prostituee'. En dat is ze in de ogen van veel christenen steeds gebleven.

De eerste ooggetuige van de opstanding (Marcus, Matteus en Johannes) en belangrijke volgelinge van Christus botste posthuum met de patriarchale instutionalisering die vroeg in de geschiedenis van het christendom plaatsvond. Gevolg: een totale vertekening van de Magdalena-figuur die tot op de dag van vandaag op vele manieren zichtbaar blijft; zelfs in kringen van feministische theologen en romanciers waar ze als symbool geldt van (alweer) seksuele emancipatie.

Om het met de woorden van Susan Haskins te zeggen: “Maria Magdalena is, net als de sekse die ze vertegenwoordigt, sinds de eerste eeuwen van het christendom het zwarte schaap van de kerkelijke instituties geweest: gecontroleerd, gemanipuleerd en vooral verkeerd voorgesteld ... Het wordt misschien tijd om het echte vrouwelijke model boven tafel te halen, een model dat volgens de evangelies kracht, moed en onafhankelijkheid belichaamt, kwaliteiten die de kerk heeft getracht te onderdrukken door vrouwen te onderwerpen aan het zelf gecreeerde model van de passieve maagd.”

En wie denkt dat Haskins overdrijft moet er de encycliek Mulieris Dignitatem van Johannes Paulus II maar op naslaan.

Wie was Maria van Magdala, zoals Maria Magdalena ook wordt genoemd naar het dorpje bij het meer van Tiberias waar ze oorspronkelijk woonde? In het Nieuwe Testament wordt, behalve haar aanwezigheid bij de kruisiging en haar bezoek aan het lege graf, amper meer over haar meegedeeld dan dat ze door Jezus bevrijd was van “zeven duivelse geesten” (Lucas 8:2) en behoorde tot de vrouwen die hem in Galilea altijd volgden (Marcus 15:41, Mattheus 27:56) en “uit eigen middelen voor hem en z'n volgelingen zorgden” (Lucas 8:3).

In de vier canonieke evangelies staat van Maria Magdalena nergens vermeld wie haar ouders waren, of ze broers en/of zusters had en of ze getrouwd was. Volgens Susan Haskins moet ze een bemiddelde vrouw zijn geweest, anders had ze Jezus noch zijn discipelen financieel kunnen ondersteunen.

Haskins constateert dat de door William Phipps en anderen, onderwie Maarten Luther en de hedendaagse feministische theologe Elisabeth Moltmann-Wendell, gesuggereerde liefdes- c.q. huwelijksrelatie tussen Maria Magdalena en Jezus elke bijbelse onderbouwing mist. De liefdesband tussen beiden, waarvan gnostische evangelies als dat van Maria en van Filippus melding maken, is niet van fysieke maar van puur mystieke aard. Maria Magdalena fungeert er als de meest intieme en hoogste ingewijde in het mysterie van Christus.

Na diens opstanding en ten hemel opneming verdwijnt Maria Magdalena uit het bijbels zicht. Reden voor Gregorius van Tours (538-594) haar te laten sterven in Efeze waar ze met 'haar verloofde' Johannes de Evangelist zou hebben gewoond. Latere middeleeuwse legendes situeerden Maria Magdalena in de Provence waar ze samen met 'zuster' Martha en 'broer' Lazarus en 'de beide andere Maria's' (van Jacobus en Salome) in een stuurloze boot zou zijn aangespoeld.

Er ontstond in Frankrijk een ware Magdalena-cultus, eerst (1050-1279) rond de abdij van Vezelay in Bourgondie die beweerde haar relieken te bezitten, en later rond het klooster van St. Maxim in de Provence dat met succes de claim overnam. Overigens was ze ook in andere Europese landen, onder andere Duitsland, Italie en Engeland, zeer populair en werd haar feestdag, 22 juni, groots gevierd.

Het feit dat Maria Magdalena door boze geesten was bezeten, vormde een bron van speculaties onder de vroeg-christelijke exegeten. Het werd gezien als bewijs van haar zondigheid en als een bevestiging van haar prostituee-zijn. Maar Susan Haskins wijst erop dat in het Nieuwe Testament bezetenheid nergens synoniem is met zondigheid. Het lijkt daarom veel aannemelijker dat haar kwaal van psychologisch aard was, “een hevige en chronische zenuwaandoening”. Ook kan het er op duiden dat ze aan epilepsie leed.

En nu we toch aan het demystificeren zijn: In geen van de vier canonieke evangelies noch in de apocriefe varianten wordt Maria Magdalena met prostitutie of huwelijksontrouw in verband gebracht. Deze hardnekkige verdraaiing - in het Engels heetten huizen voor bekeerde prostituees eeuwenlang magdalens en in het Duits sprak men van Magdalenenstifter - berust uitsluitend op een verkeerde lezing van de Schrift.

Daarbij koppelde men drie verschillende nieuwtestamentische vrouwenfiguren ten onrechte aan elkaar tot een persoon.

De Maria Magdalena van Lucas 8, de berouwvolle prostituee die in Lucas 7 Jezus' voeten zalft in het huis van Simon de Farizeeer en Maria van Bethanie, zuster van Lazarus, die in Johannes 12 dezelfde handeling verricht, zijn in het Westen sinds paus Gregorius de Grote (590-604) tot een en dezelfde samengesmolten: Maria Magdalena, de bekeerde hoer.

(Soms heeft men ook de overspelige vrouw, die in Johannes 8 door Christus wordt gered met de woorden 'wie van u nooit verkeerd heeft gedaan, mag de eerste steen gooien', met de persoon van Maria Magdalena geidentificeerd).

Toen in de zestiende eeuw de Franse katholieke theoloog Jacques Lefevre d'Etaples als eerste in WestEuropa de koppeling ter discussie stelde werd hij daarvoor prompt geexcommuniceerd. Calvijn beweerde later hetzelfde.

Het duurde tot 1969 voordat de rooms-katholieke kerk de persoonsvermenging ongedaan maakte en Maria Magdalena als prominente volgelinge van Jezus erkende. Weer acht jaar later werden de epitheta Maria Penitens (boetvaardige Maria) en magna peccatrix (grote zondares) uit het Romeins brevier geschrapt waarmee de rehabilitatie van Maria Magdalena voltooid was. De oosterse kerken hebben steeds de juiste uitleg van de grote Origines (185-251) gevolgd.

De wisselende manier waarop in de loop der eeuwen binnen het christendom tegen de figuur van Maria Magdalena werd aangekeken weerspiegelt de positie van de vrouw in de christelijke kerk. Aanvankelijk was die zo gunstig dat een relatief groot aantal vrouwen christen werd. Dat bracht buitenstaanders als de Romeinse filosoof Celsus ertoe het christendom als een 'vrouwenreligie' te diskwalificeren.

Tot zo'n kleine honderd jaar na Christus' dood was de rol van de vrouw binnen het christendom duidelijk beter dan die binnen het orthodoxe jodendom. De volstrekt passieve rol die vrouwen in de synagoge werd toebedeeld, stond in forse tegenstelling tot de gelijkwaardige plaats van hun zusters binnen de gemeenschappen van het vroegste christendom.

In de brieven van Paulus, geschreven voor de synoptische evangelies (50-60 na Christus), en ook in de Handelingen van de Apostelen, samengesteld in de laatste tien jaar van de eerste eeuw, valt niet alleen te lezen hoe welgestelde vrouwen mannelijke missionarissen financieel ondersteunden, maar ook hoe sommigen (Phoebe in Romeimen 16:1-2) zelf aan het missiewerk deelnamen en leiding gaven aan kerkgemeenten.

Zo ontstaat het beeld van een geloofsgemeenschap waarin vrouwen belangrijke functies uitoefenden als apostelen, diakenen, profetessen, leraressen, en leidsters van lokale kerken. Dit conform het emancipatieprincipe van Jezus.

Overigens hebben recente studies aangetoond dat het onjuist is een kunstmatig verschil aan te brengen tussen leerlingen ('hoger') en volgelingen ('lager') van Christus, tussen de mannelijke 'twaalf' en de vrouwelijke 'rest'. Op deze basis kan de vrouw niet uit het priesterambt worden geweerd.

Vroeg in de tweede eeuw begint binnen het christendom een terugkeer naar oude joodse patriarchale patronen. Mogelijk als reactie op groeiende kritiek van de buitenwacht die de actieve rol van vrouwen binnen de christelijke beweging als schandelijk beschouwde. In 352 verbood het Concilie van Laodicea vrouwen als priester voor te gaan en plaatselijke gemeenten te leiden. Een verbod dat impliceert dat ze beide rollen in de vroege christelijk kerk kennelijk vervulden.

De spanningen zijn voelbaar in het apocriefe Evangelie van Maria (tweede eeuw) waarin Petrus zich ergert aan het feit dat Jezus zich na zijn opstanding het eerst aan een vrouw, Maria Magdalena, heeft geopenbaard. En hij stelt de boze vraag: “moeten we soms allemaal naar haar luisteren? ” In die tijd ontstond binnen de kerk de stelling dat Christus het eerst aan Petrus was verschenen. Het legitimeerde een patriarchaal systeem dat in het rooms-katholicisme en de oosterse orthodoxie tot op de dag van vandaag voortduurt.

Uit gnostische geschriften wordt duidelijk dat Maria Magdalena niet alleen bij haar leven een zeer belangrijke rol heeft gespeeld in het vroegste christendom, maar dat ze ook na haar dood nog ruim honderd jaar als een belangrijke, zo niet de belangrijkste apostel werd vereerd. Men beschouwde haar, die het lege graf had gezien en als eerste met de verrezen Heer had gesproken, helemaal niet als ex-zondares, maar als een groot zienares en als middelares tussen Christus en de andere apostelen.

Haar positie was in de begintijd van het christendom heel wat prominenter dan die van de moeder van Jezus, van wie geen van de evangelies meldt dat hij na zijn opstanding aan haar verscheen. Niet voor niets gaf de eerdergenoemde bisschop Hippolytus Maria Magdalena de eretitel die later op de maagd Maria is overgegaan: 'bruid van Christus'.

Maar rond de derde eeuw was volgens Susan Haskins het masculiene gezagsdenken binnen de jonge kerk al zover voortgeschreden, dat alle evangelie-teksten die niet aansloten bij de orthodoxe kerkvisie geen gehoor meer vonden en 'aprocrief' werden verklaard. Men maakte de figuur van Maria Magdalena onschadelijk door haar te degraderen tot symbool van overwonnen seksualiteit en vrouwelijke onderdanigheid. En zo nam de eeuwenlange clericale, discriminerende kijk op de vrouw een aanvang.

Deel dit artikel