Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Mannelijke auteurs zijn aan de beterende hand, hun zelfvertrouwen herstelt

Cultuur

Rob Schouten

© Anita Huisman

De man ligt onder vuur, maar in de Nederlandse literatuur is de sukkel op de terugtocht, constateert Rob Schouten

Een jaar of tien geleden schreef ik in deze krant ‘Sukkels van papier’ over de sneue eikels die al enige tijd hun opwachting maakten in de literatuur, mentale kneuzen als de hoofdpersoon uit ‘Tirza’ van Arnon Grunberg en Sebastiaan uit Christiaan Weijts’ debuut ‘Art 285b’. Opmerkelijk, dat beeld van mannen die het onderspit dolven in de wereld van die jaren, kapotgemaakt door veeleisende vrouwen, door seks en drugs, door maatschappelijke mislukking, door eigenlijk alles waar ze vroeger heer en meester over heetten te zijn. De Nederlandse literatuur was al nooit rijk aan echte helden maar hier troffen we iets ergers aan, mislukkelingen.

Lees verder na de advertentie

Maar ziedaar, het tij lijkt langzaam gekeerd. De man is literair gesproken aan de beterende hand. En dat in een tijd waarin exemplaren van zijn soort nota bene op het menu van #Metoo staan. Ik heb het natuurlijk niet over de onverdraaglijke ‘meer voor mannen’-literatuur van iemand als Mano Bouzamour of een fijn mannenvriendschapsboek als ‘Ventoux’ van Bert Wagendorp, maar over boeken met mannen die aan hun genezing werken, herstel van hun zelfvertrouwen.

‘Een man mag niet huilen’ lijkt bij de vuilnis gezet

Wie ‘1 interviewer, 10 geboden, 100 schrijvers’ van Arjan Visser leest, merkt op dat het zwaarst wegende gebod voor schrijvers het vijfde is, Eert uw vader en uw moeder. Doen ze lang niet altijd; integendeel, de ontsnapping uit hun milieu staat al enige tijd op het programma van schrijvers als Alex Boogers en Philip Snijders. Een nieuwe tendens, je hoeft geen gouden benen te hebben om je op te werken, een fijn pennetje volstaat. Het gaat zeker niet vanzelf maar het lukt.

Thaiboksen

Heviger geworstel treffen we aan bij de mannen die een scheiding niet goed verwerkt hebben, die aan de drank of drugs zijn geraakt, hun baan hebben verloren. Ze beschrijven hun genezingsproces in kronieken en dagboeken, op zich al een opmerkelijke vorm. Ze beoefenen een openhartigheid die vroeger vooral aan vrouwen werd toegeschreven. Tegenwoordig toont ook de nieuwe, herstellende man zijn kwetsbaarheid.

Bijvoorbeeld Henk van Straten die in ‘Berichten uit het tussenhuisje’, wat hij noemt ‘postcoïtaal’ schrijft over het leven na zijn scheiding. Drank, seksverslaving, allerhande maatschappelijke vernederingen dienen te worden overwonnen. Naast meer mannelijke pogingen om er vanaf te komen (hij gaat skateboarden, Thaiboksen) zoekt hij het het vooral in de boeddhistische hoek: bevrijding en verlichting. Een foto van een door mensen bevrijde bultrug doet hem veel: “Ik keek naar mezelf door het oog van de walvis. Zijn oog was mijn oog. (…) Het oog dat zichzelf ziet, ofwel: het universum dat zichzelf gewaarwordt. Ik was erbij toen ze de bultrug bevrijdden. Ik proefde het zoute water op mijn lippen. Ik voelde de kou. Ik heb die walvis ontmoet. Ik ken hem. Ik ben hem.”

Walvis van Straten weet ook dat je vooral jezelf moet zijn. Hij ervaart het nota bene in de Burger King: “Ik was trots op mezelf. Zo tussen de blaadjes sla en proppen papier en andere verloren zielen in het donker van de avond.”

Slachtoffer van een vechtscheiding

Het zijn geen complexe, kostbare therapieën. Bij Erik Jan Harmens in ‘Door het licht’ (ook hier verlichting!) is het vooral muziek die hem helpt bij het temmen van zijn alcoholverslaving want vanzelf gaat het niet. Kalmerende liedjes die ‘mijn hoofd niet doen overlopen, maar het tegenovergestelde effect hebben, mijn hoofd een beetje leger maken, steeds een speld uit het speldenkussen trekken’. Heel authentiek, heel ongegeneerd; het oude devies ‘Een man mag niet huilen’ lijkt bij de vuilnis gezet.

Het is zo te zien vooral zijn overprikkelde ADHD- of autistische brein dat de man parten speelt en dus moet de genezing vooral in het hoofd gezocht worden. Dat het ook anders kan laat Hans Boland, vertaler en kind van de jaren zestig, zien. Zijn literair alter ego is slachtoffer van een vechtscheiding, hij komt op voor zijn recht zoon en kleinzoon te zien. Geen zen bij hem, maar strijdbare boosheid: “Ik wil maar één ding: de waarheid recht doen. Wat heb ik anders aan mijn getuigenis? Schrijf ik het niet in de eerste plaats voor mezelf? En als de waarheid pijn doet is het dan niet in de eerste plaats mijn pijn? Net zo goed als het mijn waarheid is?”

Maar ook hier gaat het niet zozeer om de tegenstander, de ex, de treiteraars, koning Alcohol, maar om herstel van het ik, het zelfvertrouwen van de gekrenkte man die weigert nog langer door wie of wat ook over zich heen te laten lopen.

Met zachte of harde hand, voor de voormalige kneus in de letteren geldt: ik worstel en kom boven.

Lees ook:

Het zijn zware dagen voor het broze ego van de auteur

Als interviewers gaan vragen wat er au­to­bi­o­gra­fisch is aan dit boek, kan ik met een gerust geweten antwoorden: niets. Heerlijk lijkt me dat.

De werkelijkheid van de schrijver

Als je als schrijver personage in je eigen verhaal wordt, ben je net zo radeloos als alle anderen. En wat blijft er dan van je hooggestemde idealen over?

Deel dit artikel

‘Een man mag niet huilen’ lijkt bij de vuilnis gezet